duren
werkwoord /'dyːrə(n)/Betekenis
- een bepaalde tijd in beslag nemen
Hoe spreek je duren uit?
/ˈdyrən/
Duren bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| d | dak |
| y | fuut |
| r | rood |
| ə | de |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Vervoeging van duren
durenhele werkwoord — duurdeverleden tijd enkelvoud — duurdenverleden tijd meervoud — geduurdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | duur | duurde |
| jij | duurt | duurde |
| hij, zij, het | duurt | duurde |
| wij | duren | duurden |
| jullie | duren | duurden |
| zij | duren | duurden |
Alle 55 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| dure | aanvoegende wijs |
| durend | onvoltooid, deelwoord |
| duur | gebiedende wijs |
| duurde | verleden tijd |
| ev. | gebiedende wijs |
| geduurd | verleden tijd, deelwoord |
| geduurd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| geduurd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had geduurd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had geduurd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had geduurd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden geduurd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden geduurd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden geduurd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt geduurd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb geduurd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben geduurd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben geduurd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben geduurd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben geduurd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt geduurd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft geduurd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft geduurd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te duren | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te hebben geduurd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen duren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal duren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal duren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal duren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal geduurd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal geduurd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal geduurd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zou duren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou duren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou duren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou geduurd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou geduurd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou geduurd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden duren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden duren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden duren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden geduurd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden geduurd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden geduurd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt duren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt geduurd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen duren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen duren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen duren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen duren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen geduurd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen geduurd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen geduurd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zult duren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult geduurd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Herkomst
Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘tijd in beslag nemen, voortduren’ voor het eerst aangetroffen in 1220
Woordfamilie van duren
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| duurde | verleden tijd | duren |
| duurden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | duren |
| duurt | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | duren |
| geduurd | voltooid deelwoord | duren |
| geduurde | woordvorm | duren |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van duren zijn vastgelegd.