gluren
werkwoord /ˈɣlyː.rə(n)/Betekenis
- in het geheim aandachtig naar iemand kijken
Hoe spreek je gluren uit?
/ˈxlyrən/
Gluren bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| x | acht |
| l | land |
| y | fuut |
| r | rood |
| ə | de |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Vervoeging van gluren
glurenhele werkwoord — gluurdeverleden tijd enkelvoud — gluurdenverleden tijd meervoud — gegluurdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | gluur | gluurde |
| jij | gluurt | gluurde |
| hij, zij, het | gluurt | gluurde |
| wij | gluren | gluurden |
| jullie | gluren | gluurden |
| zij | gluren | gluurden |
Alle 55 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ev. | gebiedende wijs |
| gegluurd | verleden tijd, deelwoord |
| gegluurd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gegluurd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| glure | aanvoegende wijs |
| glurend | onvoltooid, deelwoord |
| gluur | gebiedende wijs |
| gluurde | verleden tijd |
| had gegluurd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gegluurd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gegluurd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gegluurd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gegluurd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gegluurd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gegluurd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gegluurd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gegluurd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gegluurd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gegluurd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gegluurd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gegluurd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gegluurd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gegluurd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te gluren | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te hebben gegluurd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen gluren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal gegluurd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gegluurd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gegluurd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal gluren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal gluren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal gluren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zou gegluurd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gegluurd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gegluurd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou gluren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou gluren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou gluren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden gegluurd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gegluurd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gegluurd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden gluren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden gluren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden gluren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt gegluurd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt gluren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen gegluurd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gegluurd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gegluurd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen gluren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen gluren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen gluren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen gluren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult gegluurd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult gluren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
In de betekenis van ‘tersluiks kijken’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1588
Woordfamilie van gluren
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| gegluurd | voltooid deelwoord | gluren |
| glure | aanvoegende wijs | gluren |
| glurend | onvoltooid deelwoord | gluren |
| glurende | woordvorm | gluren |
| gluur | gebiedende wijs | gluren |
| gluurde | verleden tijd | gluren |
| gluurden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | gluren |
| gluurt | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | gluren |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van gluren zijn vastgelegd.