plamuren
werkwoord plaˈmyrə(n)Betekenis
- (met plamuur) steenachtige, houten of andere ondergronden (auto, gezicht) egaliseren of repareren
Hoe spreek je plamuren uit?
/plaˈmyrən/
Plamuren bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de tweede.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| p | pak |
| l | land |
| a | maan |
| m | maan |
| y | fuut |
| r | rood |
| ə | de |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
werkwoord
- steenachtige, houten of andere ondergronden met plamuur egaliseren of repareren transitive
- onvolkomenheden in het gelaat maskeren door smeersels en poeder aan te brengen figuratively, pejorative, transitive
Vervoeging van plamuren
plamurenhele werkwoord — plamuurdeverleden tijd enkelvoud — plamuurdenverleden tijd meervoud — geplamuurdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | plamuur | plamuurde |
| jij | plamuurt | plamuurde |
| hij, zij, het | plamuurt | plamuurde |
| wij | plamuren | plamuurden |
| jullie | plamuren | plamuurden |
| zij | plamuren | plamuurden |
Alle 126 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben geplamuurd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent geplamuurd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is geplamuurd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was geplamuurd | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd geplamuurd | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt geplamuurd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal geplamuurd worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal geplamuurd zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou geplamuurd worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou geplamuurd zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| geplamuurd | verleden tijd, deelwoord |
| geplamuurd te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| geplamuurd te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| geplamuurd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| geplamuurd te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| geplamuurd te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| geplamuurd worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| geplamuurd zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| geplamuurd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| geplamuurd zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| geplamuurd zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had geplamuurd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had geplamuurd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had geplamuurd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden geplamuurd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden geplamuurd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden geplamuurd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt geplamuurd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb geplamuurd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben geplamuurd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben geplamuurd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben geplamuurd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben geplamuurd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt geplamuurd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft geplamuurd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft geplamuurd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is geplamuurd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is geplamuurd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| plamure | aanvoegende wijs |
| plamurend | onvoltooid, deelwoord |
| plamuur | gebiedende wijs |
| plamuurde | verleden tijd |
| te hebben geplamuurd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te plamuren | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen plamuren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart geplamuurd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren geplamuurd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren geplamuurd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren geplamuurd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was geplamuurd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was geplamuurd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was geplamuurd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd geplamuurd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd geplamuurd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd geplamuurd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden geplamuurd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden geplamuurd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden geplamuurd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt geplamuurd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word geplamuurd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden geplamuurd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden geplamuurd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden geplamuurd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt geplamuurd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt geplamuurd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal geplamuurd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal geplamuurd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal geplamuurd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal geplamuurd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal geplamuurd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal geplamuurd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal geplamuurd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal plamuren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal plamuren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal plamuren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zijn geplamuurd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn geplamuurd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn geplamuurd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt geplamuurd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou geplamuurd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou geplamuurd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou geplamuurd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou geplamuurd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou geplamuurd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou geplamuurd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou geplamuurd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou geplamuurd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou geplamuurd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou plamuren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou plamuren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou plamuren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden geplamuurd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden geplamuurd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden geplamuurd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden geplamuurd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden geplamuurd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden geplamuurd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden geplamuurd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden geplamuurd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden geplamuurd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden plamuren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden plamuren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden plamuren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt geplamuurd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt geplamuurd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt geplamuurd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt plamuren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen geplamuurd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen geplamuurd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen geplamuurd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen geplamuurd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen geplamuurd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen geplamuurd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen geplamuurd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen geplamuurd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen geplamuurd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen plamuren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen plamuren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen plamuren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen plamuren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult geplamuurd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult geplamuurd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult geplamuurd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult plamuren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
vermoedelijk via Middelnederlands plamen ww "uitvlakken" van Frans plamer ww "ploten" of via Middelnederlands planen ww van Frans planer ww "gladmaken"
Woordfamilie van plamuren
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| geplamuurd | voltooid deelwoord | plamuren |
| geplamuurde | woordvorm | plamuren |
| plamure | aanvoegende wijs | plamuren |
| plamurend | onvoltooid deelwoord | plamuren |
| plamurende | woordvorm | plamuren |
| plamuurde | verleden tijd | plamuren |
| plamuurden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | plamuren |
| plamuurt | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | plamuren |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van plamuren zijn vastgelegd.