kraam
zelfstandig naamwoord, werkwoord kramBetekenis
- verplaatsbare tent waarin (op markten) koopwaar of (op kermissen) vermaak wordt aangeboden
- kraambed
Hoe spreek je kraam uit?
/kram/
Kraam bestaat uit één lettergreep.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| k | kat |
| r | rood |
| a | maan |
| m | maan |
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| kraampje | verkleinwoord, enkelvoud |
| kraampjes | verkleinwoord, meervoud |
| kramen | meervoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van kramen
- gebiedende wijs van kramen
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van kramen
Vervoeging van kraam
kraamhele werkwoord
Herkomst
In de betekenis van ‘tent waarin koopwaar wordt aangeboden’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1213
Woordfamilie van kraam
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| kraampje | verkleinwoord | kraam |
| kraampjes | verkleinwoord meervoud | kraam |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van kraam zijn vastgelegd.