imam
zelfstandig naamwoord /iˈmam/Betekenis
- (islam) voorganger bij het gebed
- hoofd van een islamitische rechtsschool
- leider van een sjiitische gemeenschap
- (in de islam)
- leider
- pastoor, priester (rooms-katholiek)
Hoe spreek je imam uit?
/iˈmam/
Imam bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de tweede.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| i | riet |
| m | maan |
| a | maan |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
zelfstandig naamwoord — masculine
- voorganger bij het gebed
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| imampje | verkleinwoord, enkelvoud |
| imampjes | verkleinwoord, meervoud |
| imams | meervoud |
Herkomst
Leenwoord uit het Arabisch, in de betekenis van ‘islamitische gebedsvoorganger’ voor het eerst aangetroffen in 1626
Woordfamilie van imam
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| imampje | verkleinwoord | imam |
| imampjes | verkleinwoord meervoud | imam |
| imams | meervoud | imam |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van imam zijn vastgelegd.