braam
zelfstandig naamwoord, werkwoord bramBetekenis
- braamstruik
- Rubus, vrucht van de braamstruik die zwart van kleur is
- ruwe, ongelijke rand aan een van een metalen voorwerp, die eigenlijk glad hoort te zijn
Hoe spreek je braam uit?
/bram/
Braam bestaat uit één lettergreep.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| b | bak |
| r | rood |
| a | maan |
| m | maan |
zelfstandig naamwoord — feminine, masculine
- Rubus, braamstruik
- Rubus, zwarte vrucht van de braamstruik
- bepaald soort Europese zoetwatervis Abramis brama masculine
- benaming voor zeevissen uit de familie Bramidae masculine
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| braampje | verkleinwoord, enkelvoud |
| braampjes | verkleinwoord, meervoud |
| bramen | meervoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van bramen
- gebiedende wijs van bramen
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van bramen
Vervoeging van braam
braamhele werkwoord
Herkomst
[1], [2]: erfwoord via Middelnederlands brame van Oudnederlands brama, in de betekenis van ‘vrucht’ voor het eerst aangetroffen in 1240 en al in de 11e eeuw als (deel van) plaatsnamen
Woordfamilie van braam
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| braampje | verkleinwoord | braam |
| braampjes | verkleinwoord meervoud | braam |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van braam zijn vastgelegd.