erfgenaam
zelfstandig naamwoord ˈɛrᵊfxəˌnamBetekenis
- persoon die een erfenis door versterf of testament geheel of gedeeltelijk verkrijgt
Hoe spreek je erfgenaam uit?
/ˈɛrəfxəˌnam/
Erfgenaam bestaat uit vier lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| ɛ | bed |
| r | rood |
| ə | de |
| f | fiets |
| x | acht |
| n | nek |
| a | maan |
| m | maan |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
| ˌ | een lichtere nadruk, zwakker dan de hoofdklemtoon |
zelfstandig naamwoord — masculine
- persoon die bij wet of testament is aangewezen als erfgenaam en daarom bij overlijden door erfopvolging een nalatenschap (erfenis) geheel, of samen met anderen gedeeltelijk, verkrijgt
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| erfgenaampje | verkleinwoord, enkelvoud |
| erfgenaampjes | verkleinwoord, meervoud |
| erfgenamen | meervoud |
Herkomst
In de betekenis van ‘op wie een nalatenschap overgaat’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1284.
Woordfamilie van erfgenaam
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| erfgenaampje | verkleinwoord | erfgenaam |
| erfgenaampjes | verkleinwoord meervoud | erfgenaam |
| erfgenamen | meervoud | erfgenaam |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van erfgenaam zijn vastgelegd.