kraambed
zelfstandig naamwoordBetekenis
- het bed waarin een vrouw bevalt en waarin zij daarna rust
- het kraamvrouw zijn en de tijd dat dit duurt
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| kraambedden | meervoud |
| kraambedje | verkleinwoord, enkelvoud |
| kraambedjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
In de betekenis van ‘bed waarin vrouw bevalt’ voor het eerst aangetroffen in 1640
Woordfamilie van kraambed
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| kraambedden | meervoud | kraambed |
| kraambedje | verkleinwoord | kraambed |
| kraambedjes | verkleinwoord meervoud | kraambed |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van kraambed zijn vastgelegd.