Naar de inhoud

heffen

op opwaartse richting doen bewegen

heffen is meer dan één woord

heffen

werkwoord, zelfstandig naamwoord ˈhɛfə(n)

Betekenis

  1. op opwaartse richting doen bewegen
  2. doen betalen, aanrekenen
  3. opheffen.
  4. (Een kint) ~: ten doop houden

Hoe spreek je heffen uit?

/ˈhɛfən/

Heffen bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.

De tekens in /ˈhɛfən/ en een woord waarin dezelfde klank staat.
Teken Klinkt als in
h hoed
ɛ bed
f fiets
ə de
n nek
ˈ de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint

Vervoeging van heffen

heffenhele werkwoord — hiefverleden tijd enkelvoud — hievenverleden tijd meervoud — gehevenvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik hef hief
jij heft hief
hij, zij, het heft hief
wij heffen hieven
jullie heffen hieven
zij heffen hieven
Alle 126 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
- impersonal, passief
ben geheven voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent geheven voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
er is geheven impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was geheven impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd geheven impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt geheven impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal geheven worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal geheven zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou geheven worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou geheven zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
geheven verleden tijd, deelwoord
geheven te worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
geheven te zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
geheven te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
geheven te zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
geheven te zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
geheven worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
geheven zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
geheven zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
geheven zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
geheven zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
had geheven voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had geheven voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had geheven voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden geheven voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden geheven voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden geheven voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt geheven voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb geheven voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben geheven actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben geheven voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben geheven voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben geheven voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt geheven voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft geheven voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft geheven voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hef gebiedende wijs
heffe aanvoegende wijs
heffend onvoltooid, deelwoord
hief verleden tijd
is geheven voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is geheven voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
te hebben geheven actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te heffen actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen heffen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
waart geheven voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren geheven voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren geheven voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren geheven voltooid, verleden tijd, derde persoon
was geheven voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was geheven voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was geheven voltooid, verleden tijd, derde persoon
werd geheven enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon
werd geheven enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
werd geheven enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
werden geheven enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon
werden geheven enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon
werden geheven enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon
werdt geheven enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
word geheven enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
worden geheven enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon
worden geheven enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon
worden geheven enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
wordt geheven enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon
wordt geheven enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zal geheven hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal geheven hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal geheven hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal geheven worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal geheven worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zal geheven zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal geheven zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal heffen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal heffen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal heffen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zijn geheven voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn geheven voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn geheven voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt geheven voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou geheven hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou geheven hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou geheven hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou geheven worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou geheven worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zou geheven worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou geheven zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou geheven zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou geheven zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou heffen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou heffen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou heffen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zouden geheven hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden geheven hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden geheven hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden geheven worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden geheven worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden geheven worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden geheven zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden geheven zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden geheven zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden heffen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden heffen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden heffen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zoudt geheven hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt geheven worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt geheven zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt heffen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zullen geheven hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen geheven hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen geheven hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen geheven worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen geheven worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen geheven worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen geheven zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen geheven zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen geheven zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen heffen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen heffen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen heffen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen heffen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zult geheven hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult geheven worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult geheven zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult heffen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon

Woordvorm

  • meervoud van het zelfstandig naamwoord hef

Herkomst

Van Middelnederlands heffen. Verder te herleiden tot het Oudnederlandse hevon en het Proto-Germaanse *haf- (vgl Engels heave, Duits heben, Gotisch hafjan). Er wordt vaak aangenomen dat deze wortel een variant is van de eveneens Proto-Germaanse wortel *hab- en PIE *kap- (waar o.a. Latijn capere en Nederlands hebben weer van zijn afgeleid), maar er zijn ook andere verklaringen.

Woordfamilie van heffen

Woordvorm Relatie Afgeleid van
geheven voltooid deelwoord heffen
heffe aanvoegende wijs heffen
heffend onvoltooid deelwoord heffen
heffende woordvorm heffen
hief verleden tijd heffen
hieft aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, enkelvoud, 2e persoon heffen
hieven aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon heffen

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van heffen zijn vastgelegd.

Afleidingen en samenstellingen

Veelgestelde vragen over heffen

Hoe spreek je heffen uit?
De uitspraak van heffen is: /ˈhɛfə(n)/. Dit is het internationaal fonetisch alfabet, waarmee elke klank apart wordt genoteerd. Het teken ˈ geeft de klemtoon aan: de nadruk valt op de eerste lettergreep.
Wat betekent heffen?
Heffen is een werkwoord. Het woord betekent: op opwaartse richting doen bewegen. Deze pagina beschrijft 4 betekenissen op deze pagina.
Hoe vervoeg je heffen?
Je vervoegt heffen als volgt: de tegenwoordige tijd is hef, de verleden tijd is hief en het voltooid deelwoord is geheven. De volledige vervoeging staat in de tabel op deze pagina.

Rijmwoordenboek: wat rijmt er op heffen?

Op heffen rijmen 5 woorden, onder andere treffen, overtreffen en beffen. Ze klinken vanaf de beklemtoonde lettergreep hetzelfde, niet alleen op de laatste letters.

Rijmwoorden op heffen, uitspraak ˈhɛfən, de gangbaarste eerst.
Rijmwoord Lettergrepen
treffen 2
overtreffen 4
beffen 2
verheffen 3
ontheffen 3

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord heffen is 15 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. H 4
  2. E 1
  3. F 4
  4. F 4
  5. E 1
  6. N 1
  7. 15 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

heffen levert met Wordfeud minimaal 15 en maximaal 69 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. H 4
  2. E 1
  3. F 4
  4. F 4
  5. E 1
  6. N 1
  7. 15 zonder bonus
  8. 69 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (H) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

heffen telt 6 letters, waarvan 4 verschillende, want 2 letters komen er dubbel in voor. Hoe meer verschillende letters een gok heeft, hoe meer woorden hij wegstreept.

Dit woordenboek kent 13.213 woorden van 6 letters. Dat is het speelveld waar een Woordle van deze lengte uit put.

Met de Woordle helper vul je de kleuren van je pogingen in en zie je welke woorden nog passen.

heffen in het kort

heffen is zowel werkwoord als zelfstandig naamwoord. Welke van de twee het is, hangt af van de zin. Hierboven staan 4 omschrijvingen, elk met de woordsoort waar hij bij hoort. Van heffen zijn 76 vormen vastgelegd; die staan in de tabel op deze pagina. Verder hoort heffen bij een woordfamilie van 7 woorden, gebaseerd op vastgelegde woordvormrelaties.

heffen: op opwaartse richting doen bewegen
Deel heffen — standaardnederlands.nl