heffen
werkwoord, zelfstandig naamwoord ˈhɛfə(n)Betekenis
- op opwaartse richting doen bewegen
- doen betalen, aanrekenen
- opheffen.
- (Een kint) ~: ten doop houden
Hoe spreek je heffen uit?
/ˈhɛfən/
Heffen bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| h | hoed |
| ɛ | bed |
| f | fiets |
| ə | de |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Vervoeging van heffen
heffenhele werkwoord — hiefverleden tijd enkelvoud — hievenverleden tijd meervoud — gehevenvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | hef | hief |
| jij | heft | hief |
| hij, zij, het | heft | hief |
| wij | heffen | hieven |
| jullie | heffen | hieven |
| zij | heffen | hieven |
Alle 126 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben geheven | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent geheven | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is geheven | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was geheven | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd geheven | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt geheven | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal geheven worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal geheven zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou geheven worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou geheven zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| geheven | verleden tijd, deelwoord |
| geheven te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| geheven te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| geheven te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| geheven te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| geheven te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| geheven worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| geheven zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| geheven zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| geheven zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| geheven zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had geheven | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had geheven | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had geheven | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden geheven | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden geheven | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden geheven | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt geheven | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb geheven | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben geheven | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben geheven | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben geheven | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben geheven | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt geheven | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft geheven | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft geheven | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hef | gebiedende wijs |
| heffe | aanvoegende wijs |
| heffend | onvoltooid, deelwoord |
| hief | verleden tijd |
| is geheven | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is geheven | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te hebben geheven | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te heffen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen heffen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart geheven | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren geheven | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren geheven | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren geheven | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was geheven | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was geheven | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was geheven | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd geheven | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd geheven | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd geheven | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden geheven | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden geheven | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden geheven | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt geheven | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word geheven | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden geheven | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden geheven | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden geheven | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt geheven | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt geheven | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal geheven hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal geheven hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal geheven hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal geheven worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal geheven worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal geheven zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal geheven zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal heffen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal heffen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal heffen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zijn geheven | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn geheven | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn geheven | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt geheven | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou geheven hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou geheven hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou geheven hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou geheven worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou geheven worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou geheven worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou geheven zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou geheven zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou geheven zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou heffen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou heffen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou heffen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden geheven hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden geheven hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden geheven hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden geheven worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden geheven worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden geheven worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden geheven zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden geheven zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden geheven zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden heffen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden heffen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden heffen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt geheven hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt geheven worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt geheven zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt heffen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen geheven hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen geheven hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen geheven hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen geheven worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen geheven worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen geheven worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen geheven zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen geheven zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen geheven zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen heffen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen heffen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen heffen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen heffen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult geheven hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult geheven worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult geheven zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult heffen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Woordvorm
- meervoud van het zelfstandig naamwoord hef
Herkomst
Van Middelnederlands heffen. Verder te herleiden tot het Oudnederlandse hevon en het Proto-Germaanse *haf- (vgl Engels heave, Duits heben, Gotisch hafjan). Er wordt vaak aangenomen dat deze wortel een variant is van de eveneens Proto-Germaanse wortel *hab- en PIE *kap- (waar o.a. Latijn capere en Nederlands hebben weer van zijn afgeleid), maar er zijn ook andere verklaringen.
Woordfamilie van heffen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| geheven | voltooid deelwoord | heffen |
| heffe | aanvoegende wijs | heffen |
| heffend | onvoltooid deelwoord | heffen |
| heffende | woordvorm | heffen |
| hief | verleden tijd | heffen |
| hieft | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, enkelvoud, 2e persoon | heffen |
| hieven | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | heffen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van heffen zijn vastgelegd.