beffen
werkwoord, zelfstandig naamwoord ˈbɛfə(n)Betekenis
- het oraal bevredigen van een vrouw door haar geslachtsdelen te likken of met de tong te 'betasten'
Hoe spreek je beffen uit?
/ˈbɛfən/
Beffen bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| b | bak |
| ɛ | bed |
| f | fiets |
| ə | de |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Vervoeging van beffen
beffenhele werkwoord — befteverleden tijd enkelvoud — beftenverleden tijd meervoud — gebeftvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | bef | befte |
| jij | beft | befte |
| hij, zij, het | beft | befte |
| wij | beffen | beften |
| jullie | beffen | beften |
| zij | beffen | beften |
Alle 63 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| bef | gebiedende wijs |
| beffe | aanvoegende wijs |
| beffend | onvoltooid, deelwoord |
| befte | verleden tijd |
| er is gebeft | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was gebeft | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd gebeft | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt gebeft | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal gebeft worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal gebeft zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou gebeft worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou gebeft zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| gebeft | verleden tijd, deelwoord |
| gebeft te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gebeft zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gebeft | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gebeft | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gebeft | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gebeft | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gebeft | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gebeft | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gebeft | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gebeft | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gebeft | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gebeft | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gebeft | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gebeft | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gebeft | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gebeft | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gebeft | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te beffen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te hebben gebeft | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen beffen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal beffen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal beffen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal beffen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal gebeft hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gebeft hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gebeft hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zou beffen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou beffen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou beffen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou gebeft hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gebeft hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gebeft hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden beffen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden beffen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden beffen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden gebeft hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gebeft hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gebeft hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt beffen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt gebeft hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen beffen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen beffen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen beffen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen beffen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen gebeft hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gebeft hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gebeft hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zult beffen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult gebeft hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Woordvorm
- meervoud van het zelfstandig naamwoord bef
Herkomst
ww: afgeleid met het achtervoegsel -en van Bargoens bef "vulva", in de betekenis van ‘cunnilingus bedrijven’ aangetroffen vanaf 1972
Woordfamilie van beffen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| beffe | aanvoegende wijs | beffen |
| beffend | onvoltooid deelwoord | beffen |
| beffende | woordvorm | beffen |
| beft | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | beffen |
| befte | verleden tijd | beffen |
| beften | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | beffen |
| gebeft | voltooid deelwoord | beffen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van beffen zijn vastgelegd.