ontheffen
werkwoord ɔntˈhɛfə(n)Betekenis
- vrijstellen
Hoe spreek je ontheffen uit?
/ɔntˈhɛfən/
Ontheffen bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de tweede.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| ɔ | bot |
| n | nek |
| t | tak |
| h | hoed |
| ɛ | bed |
| f | fiets |
| ə | de |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Vervoeging van ontheffen
ontheffenhele werkwoord — onthiefverleden tijd enkelvoud — onthievenverleden tijd meervoud — onthevenvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | onthef | onthief |
| jij | ontheft | onthief |
| hij, zij, het | ontheft | onthief |
| wij | ontheffen | onthieven |
| jullie | ontheffen | onthieven |
| zij | ontheffen | onthieven |
Alle 55 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ev. | gebiedende wijs |
| had ontheven | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had ontheven | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had ontheven | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden ontheven | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden ontheven | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden ontheven | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt ontheven | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb ontheven | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben ontheven | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben ontheven | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben ontheven | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben ontheven | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt ontheven | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft ontheven | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft ontheven | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| onthef | gebiedende wijs |
| ontheffe | aanvoegende wijs |
| ontheffend | onvoltooid, deelwoord |
| ontheven | verleden tijd, deelwoord |
| ontheven te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| ontheven zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| onthief | verleden tijd |
| te hebben ontheven | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te ontheffen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen ontheffen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal ontheffen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal ontheffen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal ontheffen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal ontheven hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal ontheven hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal ontheven hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zou ontheffen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou ontheffen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou ontheffen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou ontheven hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou ontheven hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou ontheven hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden ontheffen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden ontheffen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden ontheffen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden ontheven hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden ontheven hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden ontheven hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt ontheffen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt ontheven hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen ontheffen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen ontheffen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen ontheffen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen ontheffen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen ontheven hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen ontheven hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen ontheven hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zult ontheffen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult ontheven hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Herkomst
Naamwoord van handeling van heffen met het voorvoegsel ont-
Woordfamilie van ontheffen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| onthef | gebiedende wijs | ontheffen |
| ontheffe | aanvoegende wijs | ontheffen |
| ontheffend | onvoltooid deelwoord | ontheffen |
| ontheffende | woordvorm | ontheffen |
| ontheft | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | ontheffen |
| onthief | verleden tijd | ontheffen |
| onthieven | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | ontheffen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van ontheffen zijn vastgelegd.