Naar de inhoud

treffen

raak schieten; raken

treffen

werkwoord ˈtrɛfə(n)

Betekenis

  1. raak schieten; raken
  2. bij elkaar komen
  3. goed uitkomen

Hoe spreek je treffen uit?

/ˈtrɛfən/

Treffen bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.

De tekens in /ˈtrɛfən/ en een woord waarin dezelfde klank staat.
Teken Klinkt als in
t tak
r rood
ɛ bed
f fiets
ə de
n nek
ˈ de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint

werkwoord

  1. raak schieten; raken en daardoor kapot of beschadigd worden transitive

Vervoeging van treffen

treffenhele werkwoord — trofverleden tijd enkelvoud — troffenverleden tijd meervoud — getroffenvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik tref trof
jij treft trof
hij, zij, het treft trof
wij treffen troffen
jullie treffen troffen
zij treffen troffen
Alle 126 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
- impersonal, passief
ben getroffen voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent getroffen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
er is getroffen impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was getroffen impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd getroffen impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt getroffen impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal getroffen worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal getroffen zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou getroffen worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou getroffen zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
getroffen verleden tijd, deelwoord
getroffen te worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
getroffen te zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
getroffen te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
getroffen te zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
getroffen te zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
getroffen worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
getroffen zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
getroffen zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
getroffen zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
getroffen zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
had getroffen voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had getroffen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had getroffen voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden getroffen voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden getroffen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden getroffen voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt getroffen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb getroffen voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben getroffen actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben getroffen voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben getroffen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben getroffen voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt getroffen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft getroffen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft getroffen voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
is getroffen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is getroffen voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
te hebben getroffen actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te treffen actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen treffen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
tref gebiedende wijs
treffe aanvoegende wijs
treffend onvoltooid, deelwoord
trof verleden tijd
waart getroffen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren getroffen voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren getroffen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren getroffen voltooid, verleden tijd, derde persoon
was getroffen voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was getroffen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was getroffen voltooid, verleden tijd, derde persoon
werd getroffen enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon
werd getroffen enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
werd getroffen enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
werden getroffen enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon
werden getroffen enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon
werden getroffen enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon
werdt getroffen enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
word getroffen enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
worden getroffen enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon
worden getroffen enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon
worden getroffen enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
wordt getroffen enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon
wordt getroffen enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zal getroffen hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal getroffen hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal getroffen hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal getroffen worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal getroffen worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zal getroffen zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal getroffen zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal treffen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal treffen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal treffen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zijn getroffen voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn getroffen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn getroffen voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt getroffen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou getroffen hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou getroffen hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou getroffen hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou getroffen worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou getroffen worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zou getroffen worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou getroffen zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou getroffen zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou getroffen zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou treffen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou treffen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou treffen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zouden getroffen hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden getroffen hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden getroffen hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden getroffen worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden getroffen worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden getroffen worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden getroffen zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden getroffen zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden getroffen zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden treffen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden treffen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden treffen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zoudt getroffen hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt getroffen worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt getroffen zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt treffen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zullen getroffen hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen getroffen hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen getroffen hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen getroffen worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen getroffen worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen getroffen worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen getroffen zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen getroffen zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen getroffen zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen treffen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen treffen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen treffen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen treffen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zult getroffen hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult getroffen worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult getroffen zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult treffen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon

Herkomst

In de betekenis van ‘raken’ voor het eerst aangetroffen in 1409

Woordfamilie van treffen

Woordvorm Relatie Afgeleid van
getroffen voltooid deelwoord treffen
tref gebiedende wijs treffen
treffe aanvoegende wijs treffen
treft aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon treffen
trof verleden tijd treffen
troffen aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon treffen

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van treffen zijn vastgelegd.

Afleidingen en samenstellingen

Veelgestelde vragen over treffen

Hoe spreek je treffen uit?
De uitspraak van treffen is: /ˈtrɛfə(n)/. Dit is het internationaal fonetisch alfabet, waarmee elke klank apart wordt genoteerd. Het teken ˈ geeft de klemtoon aan: de nadruk valt op de eerste lettergreep.
Wat betekent treffen?
Treffen is een werkwoord. Het woord betekent: raak schieten; raken. Deze pagina beschrijft 4 betekenissen op deze pagina.
Hoe vervoeg je treffen?
Je vervoegt treffen als volgt: de tegenwoordige tijd is tref, de verleden tijd is trof en het voltooid deelwoord is getroffen. De volledige vervoeging staat in de tabel op deze pagina.

Rijmwoordenboek: wat rijmt er op treffen?

Op treffen rijmen 5 woorden, onder andere heffen, overtreffen en beffen. Ze klinken vanaf de beklemtoonde lettergreep hetzelfde, niet alleen op de laatste letters.

Rijmwoorden op treffen, uitspraak ˈtrɛfən, de gangbaarste eerst.
Rijmwoord Lettergrepen
heffen 2
overtreffen 4
beffen 2
verheffen 3
ontheffen 3

Scrabble punten

Naar spel

Het woord treffen is 15 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. T 2
  2. R 2
  3. E 1
  4. F 4
  5. F 4
  6. E 1
  7. N 1
  8. 15 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

treffen levert met Wordfeud minimaal 15 en maximaal 109 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. T 2
  2. R 2
  3. E 1
  4. F 4
  5. F 4
  6. E 1
  7. N 1
  8. 15 zonder bonus
  9. 109 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (F) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus, plus 40 punten omdat alle zeven stenen van het rek gebruikt worden.

treffen telt 7 letters, waarvan 5 verschillende, want 2 letters komen er dubbel in voor. Hoe meer verschillende letters een gok heeft, hoe meer woorden hij wegstreept.

Dit woordenboek kent 21.717 woorden van 7 letters. Dat is het speelveld waar een Woordle van deze lengte uit put.

Met de Woordle helper vul je de kleuren van je pogingen in en zie je welke woorden nog passen.

treffen in het kort

treffen staat in dit woordenboek als werkwoord. Hierboven staan 4 omschrijvingen, elk met de woordsoort waar hij bij hoort. Van treffen zijn 76 vormen vastgelegd; die staan in de tabel op deze pagina. Verder hoort treffen bij een woordfamilie van 6 woorden, gebaseerd op vastgelegde woordvormrelaties.

treffen: raak schieten; raken
Deel treffen — standaardnederlands.nl