treffen
werkwoord ˈtrɛfə(n)Betekenis
- raak schieten; raken
- bij elkaar komen
- goed uitkomen
Hoe spreek je treffen uit?
/ˈtrɛfən/
Treffen bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| t | tak |
| r | rood |
| ɛ | bed |
| f | fiets |
| ə | de |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
werkwoord
- raak schieten; raken en daardoor kapot of beschadigd worden transitive
Vervoeging van treffen
treffenhele werkwoord — trofverleden tijd enkelvoud — troffenverleden tijd meervoud — getroffenvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | tref | trof |
| jij | treft | trof |
| hij, zij, het | treft | trof |
| wij | treffen | troffen |
| jullie | treffen | troffen |
| zij | treffen | troffen |
Alle 126 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben getroffen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent getroffen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is getroffen | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was getroffen | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd getroffen | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt getroffen | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal getroffen worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal getroffen zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou getroffen worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou getroffen zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| getroffen | verleden tijd, deelwoord |
| getroffen te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| getroffen te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| getroffen te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| getroffen te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| getroffen te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| getroffen worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| getroffen zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| getroffen zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| getroffen zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| getroffen zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had getroffen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had getroffen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had getroffen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden getroffen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden getroffen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden getroffen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt getroffen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb getroffen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben getroffen | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben getroffen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben getroffen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben getroffen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt getroffen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft getroffen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft getroffen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is getroffen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is getroffen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te hebben getroffen | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te treffen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen treffen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| tref | gebiedende wijs |
| treffe | aanvoegende wijs |
| treffend | onvoltooid, deelwoord |
| trof | verleden tijd |
| waart getroffen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren getroffen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren getroffen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren getroffen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was getroffen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was getroffen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was getroffen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd getroffen | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd getroffen | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd getroffen | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden getroffen | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden getroffen | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden getroffen | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt getroffen | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word getroffen | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden getroffen | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden getroffen | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden getroffen | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt getroffen | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt getroffen | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal getroffen hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal getroffen hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal getroffen hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal getroffen worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal getroffen worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal getroffen zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal getroffen zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal treffen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal treffen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal treffen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zijn getroffen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn getroffen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn getroffen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt getroffen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou getroffen hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou getroffen hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou getroffen hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou getroffen worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou getroffen worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou getroffen worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou getroffen zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou getroffen zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou getroffen zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou treffen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou treffen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou treffen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden getroffen hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden getroffen hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden getroffen hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden getroffen worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden getroffen worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden getroffen worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden getroffen zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden getroffen zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden getroffen zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden treffen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden treffen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden treffen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt getroffen hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt getroffen worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt getroffen zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt treffen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen getroffen hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen getroffen hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen getroffen hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen getroffen worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen getroffen worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen getroffen worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen getroffen zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen getroffen zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen getroffen zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen treffen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen treffen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen treffen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen treffen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult getroffen hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult getroffen worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult getroffen zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult treffen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
In de betekenis van ‘raken’ voor het eerst aangetroffen in 1409
Woordfamilie van treffen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| getroffen | voltooid deelwoord | treffen |
| tref | gebiedende wijs | treffen |
| treffe | aanvoegende wijs | treffen |
| treft | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | treffen |
| trof | verleden tijd | treffen |
| troffen | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | treffen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van treffen zijn vastgelegd.