hangen
werkwoord, zelfstandig naamwoord /ˈɦɑŋə(n)/Betekenis
- zich in een positie los van de bodem bevinden en door een bevestiging aan een ander voorwerp voor vallen behoed worden
- door ophanging – meest aan de nek – ter dood gebracht worden
- door ophanging – meest aan de nek – ter dood brengen
- op een relaxte manier ergens aanwezig zijn zonder veel activiteit te ondernemen
Hoe spreek je hangen uit?
/ˈhɑŋən/
Hangen bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| h | hoed |
| ɑ | bad |
| ŋ | ding |
| ə | de |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
werkwoord
- aan een of meer hoger gelegen punten vastmaken, zodat het niet omlaag valt ook al wordt het aan de onderkant niet gesteund transitive
- vastzitten in een programmalus zodat opnieuw starten noodzakelijk is unergative
Vervoeging van hangen
hangenhele werkwoord — hingverleden tijd enkelvoud — hingenverleden tijd meervoud — gehangenvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | hang | hing |
| jij | hangt | hing |
| hij, zij, het | hangt | hing |
| wij | hangen | hingen |
| jullie | hangen | hingen |
| zij | hangen | hingen |
Alle 126 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben gehangen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent gehangen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is gehangen | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was gehangen | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd gehangen | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt gehangen | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal gehangen worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal gehangen zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou gehangen worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou gehangen zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| gehangen | verleden tijd, deelwoord |
| gehangen te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| gehangen te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| gehangen te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gehangen te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gehangen te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gehangen worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| gehangen zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| gehangen zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| gehangen zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| gehangen zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gehangen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gehangen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gehangen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gehangen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gehangen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gehangen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gehangen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hang | gebiedende wijs |
| hange | aanvoegende wijs |
| hangend | onvoltooid, deelwoord |
| heb gehangen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gehangen | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gehangen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gehangen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gehangen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gehangen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gehangen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gehangen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hing | verleden tijd |
| is gehangen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is gehangen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te hangen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te hebben gehangen | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen hangen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart gehangen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren gehangen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren gehangen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren gehangen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was gehangen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was gehangen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was gehangen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd gehangen | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd gehangen | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd gehangen | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden gehangen | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden gehangen | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden gehangen | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt gehangen | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word gehangen | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden gehangen | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden gehangen | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden gehangen | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt gehangen | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt gehangen | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal gehangen hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gehangen hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gehangen hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal gehangen worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gehangen worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal gehangen zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gehangen zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal hangen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal hangen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal hangen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zijn gehangen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn gehangen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn gehangen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt gehangen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou gehangen hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gehangen hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gehangen hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou gehangen worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gehangen worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou gehangen worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gehangen zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gehangen zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gehangen zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou hangen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou hangen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou hangen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden gehangen hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gehangen hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gehangen hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden gehangen worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden gehangen worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden gehangen worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden gehangen zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gehangen zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gehangen zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden hangen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden hangen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden hangen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt gehangen hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt gehangen worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt gehangen zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt hangen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen gehangen hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gehangen hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gehangen hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen gehangen worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen gehangen worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen gehangen worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen gehangen zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gehangen zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gehangen zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen hangen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen hangen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen hangen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen hangen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult gehangen hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult gehangen worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult gehangen zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult hangen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Woordvorm
- meervoud van het zelfstandig naamwoord hang
Herkomst
In de betekenis van ‘aan bovenkant bevestigd door eigen zwaarte neerwaarts gehouden worden’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1100
Woordfamilie van hangen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| gehangen | voltooid deelwoord | hangen |
| hange | aanvoegende wijs | hangen |
| hangt | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | hangen |
| hing | verleden tijd | hangen |
| hingen | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | hangen |
| hingt | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, enkelvoud, 2e persoon | hangen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van hangen zijn vastgelegd.