Naar de inhoud

hangen

zich in een positie los van de bodem bevinden en door een bevestiging aan een ander voorwerp voor vallen behoed worden

hangen is meer dan één woord

hangen

werkwoord, zelfstandig naamwoord /ˈɦɑŋə(n)/

Betekenis

  1. zich in een positie los van de bodem bevinden en door een bevestiging aan een ander voorwerp voor vallen behoed worden
  2. door ophanging – meest aan de nek – ter dood gebracht worden
  3. door ophanging – meest aan de nek – ter dood brengen
  4. op een relaxte manier ergens aanwezig zijn zonder veel activiteit te ondernemen

Hoe spreek je hangen uit?

/ˈhɑŋən/

Hangen bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.

De tekens in /ˈhɑŋən/ en een woord waarin dezelfde klank staat.
Teken Klinkt als in
h hoed
ɑ bad
ŋ ding
ə de
n nek
ˈ de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint

werkwoord

  1. aan een of meer hoger gelegen punten vastmaken, zodat het niet omlaag valt ook al wordt het aan de onderkant niet gesteund transitive
  2. vastzitten in een programmalus zodat opnieuw starten noodzakelijk is unergative

Vervoeging van hangen

hangenhele werkwoord — hingverleden tijd enkelvoud — hingenverleden tijd meervoud — gehangenvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik hang hing
jij hangt hing
hij, zij, het hangt hing
wij hangen hingen
jullie hangen hingen
zij hangen hingen
Alle 126 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
- impersonal, passief
ben gehangen voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent gehangen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
er is gehangen impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was gehangen impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd gehangen impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt gehangen impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal gehangen worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal gehangen zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou gehangen worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou gehangen zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
gehangen verleden tijd, deelwoord
gehangen te worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
gehangen te zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
gehangen te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
gehangen te zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
gehangen te zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
gehangen worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
gehangen zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
gehangen zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
gehangen zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
gehangen zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
had gehangen voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had gehangen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had gehangen voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden gehangen voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden gehangen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden gehangen voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt gehangen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hang gebiedende wijs
hange aanvoegende wijs
hangend onvoltooid, deelwoord
heb gehangen voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben gehangen actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben gehangen voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben gehangen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben gehangen voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt gehangen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft gehangen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft gehangen voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hing verleden tijd
is gehangen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is gehangen voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
te hangen actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te hebben gehangen actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen hangen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
waart gehangen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren gehangen voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren gehangen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren gehangen voltooid, verleden tijd, derde persoon
was gehangen voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was gehangen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was gehangen voltooid, verleden tijd, derde persoon
werd gehangen enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon
werd gehangen enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
werd gehangen enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
werden gehangen enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon
werden gehangen enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon
werden gehangen enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon
werdt gehangen enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
word gehangen enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
worden gehangen enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon
worden gehangen enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon
worden gehangen enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
wordt gehangen enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon
wordt gehangen enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zal gehangen hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal gehangen hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal gehangen hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal gehangen worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal gehangen worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zal gehangen zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal gehangen zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal hangen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal hangen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal hangen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zijn gehangen voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn gehangen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn gehangen voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt gehangen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou gehangen hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou gehangen hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou gehangen hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou gehangen worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou gehangen worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zou gehangen worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou gehangen zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou gehangen zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou gehangen zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou hangen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou hangen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou hangen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zouden gehangen hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden gehangen hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden gehangen hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden gehangen worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden gehangen worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden gehangen worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden gehangen zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden gehangen zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden gehangen zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden hangen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden hangen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden hangen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zoudt gehangen hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt gehangen worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt gehangen zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt hangen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zullen gehangen hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen gehangen hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen gehangen hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen gehangen worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen gehangen worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen gehangen worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen gehangen zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen gehangen zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen gehangen zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen hangen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen hangen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen hangen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen hangen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zult gehangen hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult gehangen worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult gehangen zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult hangen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon

Woordvorm

  • meervoud van het zelfstandig naamwoord hang

Herkomst

In de betekenis van ‘aan bovenkant bevestigd door eigen zwaarte neerwaarts gehouden worden’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1100

Woordfamilie van hangen

Woordvorm Relatie Afgeleid van
gehangen voltooid deelwoord hangen
hange aanvoegende wijs hangen
hangt aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon hangen
hing verleden tijd hangen
hingen aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon hangen
hingt aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, enkelvoud, 2e persoon hangen

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van hangen zijn vastgelegd.

Afleidingen en samenstellingen

Veelgestelde vragen over hangen

Hoe spreek ik hangen uit?
Zo spreek je hangen uit: /ˈɦɑŋə(n)/. Dat is de weergave in het internationaal fonetisch alfabet, waarin elke klank een eigen teken heeft. Het streepje ˈ markeert de klemtoon: die ligt op de eerste lettergreep.
Wat is de betekenis van hangen?
Hangen is een werkwoord. De betekenis is: zich in een positie los van de bodem bevinden en door een bevestiging aan een ander voorwerp voor vallen behoed worden. In totaal staan er 6 betekenissen.
Hoe vervoeg ik hangen?
Zo vervoeg je hangen zo: de tegenwoordige tijd is hang, de verleden tijd is hing en het voltooid deelwoord is gehangen. Alle vormen staan in de tabel op deze pagina.

Rijmwoordenboek: wat rijmt er op hangen?

Op hangen rijmen 18 woorden, onder andere ontvangen, behangen en gevangen. Ze klinken vanaf de beklemtoonde lettergreep hetzelfde, niet alleen op de laatste letters.

Rijmwoorden op hangen, uitspraak ˈhɑŋən, de gangbaarste eerst.
Rijmwoord Lettergrepen
ontvangen 3
behangen 3
gevangen 3
vervangen 3
belangen 3
verhangen 3
stangen 2
prangen 2
aaneengehangen 5
aangehangen 4
aangevangen 4
aansluitslangen 4
boventoonzangen 5
erlangen 3
overgangen 4
samengehangen 5
slangen 2
sprangen 2

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord hangen is 11 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. H 4
  2. A 1
  3. N 1
  4. G 3
  5. E 1
  6. N 1
  7. 11 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

hangen levert met Wordfeud minimaal 11 en maximaal 57 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. H 4
  2. A 1
  3. N 1
  4. G 3
  5. E 1
  6. N 1
  7. 11 zonder bonus
  8. 57 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (H) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

hangen telt 6 letters, waarvan 5 verschillende, want één letter komt er dubbel in voor. Hoe meer verschillende letters een gok heeft, hoe meer woorden hij wegstreept.

Dit woordenboek kent 13.213 woorden van 6 letters. Dat is het speelveld waar een Woordle van deze lengte uit put.

Met de Woordle helper vul je de kleuren van je pogingen in en zie je welke woorden nog passen.

hangen in het kort

hangen is zowel werkwoord als zelfstandig naamwoord. Wat het is, hangt af van de zin. Hierboven vind je 6 betekenissen, met daarbij de bijbehorende woordsoort. Van hangen staan er 76 woordvormen vastgelegd; de tabel op deze pagina laat ze zien. Daarnaast hoort hangen bij een woordfamilie van 6 verwante woorden, bepaald aan de hand van vastgelegde woordvormrelaties.

hangen: zich in een positie los van de bodem bevinden en door een bevestiging aan een ander voorwerp voor vallen behoed worden
Deel hangen — standaardnederlands.nl