Naar de inhoud

goedachten

als juist en aanvaardbaar betrachten

goedachten

werkwoord

Betekenis

  1. als juist en aanvaardbaar betrachten
  2. tweede betekenisomschrijving
  3. enz.

Vervoeging van goedachten

goedachtenhele werkwoord — achtte goedverleden tijd enkelvoud — achtten goedverleden tijd meervoud — goedgeachtvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik acht goed achtte goed
jij acht goed achtte goed
hij, zij, het acht goed achtte goed
wij achten goed achtten goed
jullie achten goed achtten goed
zij achten goed achtten goed
Alle 144 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
- impersonal, passief
acht goed gebiedende wijs
achtte goed verleden tijd
ben goedgeacht voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent goedgeacht voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
er is goedgeacht impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was goedgeacht impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd goedgeacht impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt goedgeacht impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal goedgeacht worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal goedgeacht zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou goedgeacht worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou goedgeacht zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
goed te achten actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
goed te zullen achten actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
goed zal achten bijzin, toekomende tijd
goed zou achten bijzin, voorwaardelijk
goed zouden achten bijzin, voorwaardelijk
goed zoudt achten bijzin, voorwaardelijk
goed zullen achten actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
goed zullen achten bijzin, toekomende tijd
goed zult achten bijzin, toekomende tijd
goedacht bijzin, tegenwoordige tijd
goedachtend onvoltooid, deelwoord
goedachtte bijzin, verleden tijd
goedachtten bijzin, verleden tijd
goedgeacht verleden tijd, deelwoord
goedgeacht te worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
goedgeacht te zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
goedgeacht te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
goedgeacht te zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
goedgeacht te zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
goedgeacht worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
goedgeacht zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
goedgeacht zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
goedgeacht zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
goedgeacht zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
had goedgeacht voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had goedgeacht voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had goedgeacht voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden goedgeacht voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden goedgeacht voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden goedgeacht voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt goedgeacht voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb goedgeacht voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben goedgeacht actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben goedgeacht voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben goedgeacht voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben goedgeacht voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt goedgeacht voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft goedgeacht voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft goedgeacht voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
is goedgeacht voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is goedgeacht voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
te hebben goedgeacht actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen goedachten actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
waart goedgeacht voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren goedgeacht voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren goedgeacht voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren goedgeacht voltooid, verleden tijd, derde persoon
was goedgeacht voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was goedgeacht voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was goedgeacht voltooid, verleden tijd, derde persoon
werd goedgeacht enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon
werd goedgeacht enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
werd goedgeacht enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
werden goedgeacht enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon
werden goedgeacht enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon
werden goedgeacht enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon
werdt goedgeacht enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
word goedgeacht enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
worden goedgeacht enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon
worden goedgeacht enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon
worden goedgeacht enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
wordt goedgeacht enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon
wordt goedgeacht enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zal goedachten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal goedachten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal goedachten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal goedachten bijzin, toekomende tijd
zal goedgeacht hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal goedgeacht hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal goedgeacht hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal goedgeacht worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal goedgeacht worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zal goedgeacht zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal goedgeacht zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zijn goedgeacht voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn goedgeacht voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn goedgeacht voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt goedgeacht voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou goedachten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou goedachten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou goedachten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou goedachten bijzin, voorwaardelijk
zou goedgeacht hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou goedgeacht hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou goedgeacht hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou goedgeacht worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou goedgeacht worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zou goedgeacht worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou goedgeacht zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou goedgeacht zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou goedgeacht zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou(dt) goedachten goed zou(dt) achten bijzin, voorwaardelijk
zouden goedachten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden goedachten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden goedachten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden goedachten bijzin, voorwaardelijk
zouden goedgeacht hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden goedgeacht hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden goedgeacht hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden goedgeacht worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden goedgeacht worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden goedgeacht worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden goedgeacht zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden goedgeacht zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden goedgeacht zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zoudt goedachten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt goedachten bijzin, voorwaardelijk
zoudt goedgeacht hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt goedgeacht worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt goedgeacht zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zullen goedachten actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen goedachten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen goedachten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen goedachten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen goedachten bijzin, toekomende tijd
zullen goedgeacht hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen goedgeacht hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen goedgeacht hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen goedgeacht worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen goedgeacht worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen goedgeacht worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen goedgeacht zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen goedgeacht zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen goedgeacht zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zult goedachten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zult goedachten bijzin, toekomende tijd

Herkomst

samenstelling van goed en achten

Woordfamilie van goedachten

Woordvorm Relatie Afgeleid van
acht goed gebiedende wijs goedachten
achte goed woordvorm goedachten
achten goed aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon goedachten
achtte goed verleden tijd goedachten
achtten goed aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon goedachten
goedacht subordinate-clause, tegenwoordige tijd goedachten
goedachte with-subordinate-clause goedachten
goedachtend onvoltooid deelwoord goedachten
goedachtende woordvorm goedachten
goedachtte subordinate-clause, verleden tijd goedachten
goedachtten subordinate-clause, verleden tijd goedachten
goedgeacht voltooid deelwoord goedachten
goedgeachte woordvorm goedachten

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van goedachten zijn vastgelegd.

Veelgestelde vragen over goedachten

Wat betekent goedachten?
Goedachten is een werkwoord. Het woord betekent: als juist en aanvaardbaar betrachten. Deze pagina beschrijft 3 betekenissen op deze pagina.
Hoe vervoeg je goedachten?
Je vervoegt goedachten als volgt: het voltooid deelwoord is goedgeacht. De volledige vervoeging staat in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord goedachten is 21 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. G 3
  2. O 1
  3. E 1
  4. D 2
  5. A 1
  6. C 5
  7. H 4
  8. T 2
  9. E 1
  10. N 1
  11. 21 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

goedachten levert met Wordfeud minimaal 21 en maximaal 93 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. G 3
  2. O 1
  3. E 1
  4. D 2
  5. A 1
  6. C 5
  7. H 4
  8. T 2
  9. E 1
  10. N 1
  11. 21 zonder bonus
  12. 93 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (C) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

goedachten in het kort

goedachten staat in dit woordenboek als werkwoord. Hierboven staan 3 omschrijvingen, elk met de woordsoort waar hij bij hoort. Van goedachten zijn 86 vormen vastgelegd; die staan in de tabel op deze pagina. Verder hoort goedachten bij een woordfamilie van 13 woorden, gebaseerd op vastgelegde woordvormrelaties.

goedachten: als juist en aanvaardbaar betrachten
Deel goedachten — standaardnederlands.nl