goedachten
werkwoordBetekenis
- als juist en aanvaardbaar betrachten
- tweede betekenisomschrijving
- enz.
Vervoeging van goedachten
goedachtenhele werkwoord — achtte goedverleden tijd enkelvoud — achtten goedverleden tijd meervoud — goedgeachtvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | acht goed | achtte goed |
| jij | acht goed | achtte goed |
| hij, zij, het | acht goed | achtte goed |
| wij | achten goed | achtten goed |
| jullie | achten goed | achtten goed |
| zij | achten goed | achtten goed |
Alle 144 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| acht goed | gebiedende wijs |
| achtte goed | verleden tijd |
| ben goedgeacht | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent goedgeacht | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is goedgeacht | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was goedgeacht | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd goedgeacht | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt goedgeacht | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal goedgeacht worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal goedgeacht zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou goedgeacht worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou goedgeacht zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| goed te achten | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| goed te zullen achten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| goed zal achten | bijzin, toekomende tijd |
| goed zou achten | bijzin, voorwaardelijk |
| goed zouden achten | bijzin, voorwaardelijk |
| goed zoudt achten | bijzin, voorwaardelijk |
| goed zullen achten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| goed zullen achten | bijzin, toekomende tijd |
| goed zult achten | bijzin, toekomende tijd |
| goedacht | bijzin, tegenwoordige tijd |
| goedachtend | onvoltooid, deelwoord |
| goedachtte | bijzin, verleden tijd |
| goedachtten | bijzin, verleden tijd |
| goedgeacht | verleden tijd, deelwoord |
| goedgeacht te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| goedgeacht te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| goedgeacht te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| goedgeacht te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| goedgeacht te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| goedgeacht worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| goedgeacht zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| goedgeacht zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| goedgeacht zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| goedgeacht zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had goedgeacht | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had goedgeacht | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had goedgeacht | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden goedgeacht | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden goedgeacht | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden goedgeacht | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt goedgeacht | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb goedgeacht | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben goedgeacht | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben goedgeacht | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben goedgeacht | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben goedgeacht | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt goedgeacht | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft goedgeacht | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft goedgeacht | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is goedgeacht | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is goedgeacht | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te hebben goedgeacht | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen goedachten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart goedgeacht | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren goedgeacht | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren goedgeacht | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren goedgeacht | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was goedgeacht | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was goedgeacht | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was goedgeacht | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd goedgeacht | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd goedgeacht | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd goedgeacht | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden goedgeacht | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden goedgeacht | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden goedgeacht | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt goedgeacht | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word goedgeacht | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden goedgeacht | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden goedgeacht | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden goedgeacht | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt goedgeacht | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt goedgeacht | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal goedachten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal goedachten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal goedachten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal goedachten | bijzin, toekomende tijd |
| zal goedgeacht hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal goedgeacht hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal goedgeacht hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal goedgeacht worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal goedgeacht worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal goedgeacht zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal goedgeacht zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zijn goedgeacht | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn goedgeacht | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn goedgeacht | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt goedgeacht | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou goedachten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou goedachten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou goedachten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou goedachten | bijzin, voorwaardelijk |
| zou goedgeacht hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou goedgeacht hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou goedgeacht hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou goedgeacht worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou goedgeacht worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou goedgeacht worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou goedgeacht zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou goedgeacht zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou goedgeacht zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou(dt) goedachten goed zou(dt) achten | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden goedachten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden goedachten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden goedachten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden goedachten | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden goedgeacht hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden goedgeacht hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden goedgeacht hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden goedgeacht worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden goedgeacht worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden goedgeacht worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden goedgeacht zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden goedgeacht zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden goedgeacht zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt goedachten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt goedachten | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt goedgeacht hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt goedgeacht worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt goedgeacht zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen goedachten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen goedachten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen goedachten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen goedachten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen goedachten | bijzin, toekomende tijd |
| zullen goedgeacht hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen goedgeacht hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen goedgeacht hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen goedgeacht worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen goedgeacht worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen goedgeacht worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen goedgeacht zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen goedgeacht zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen goedgeacht zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zult goedachten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult goedachten | bijzin, toekomende tijd |
Herkomst
samenstelling van goed en achten
Woordfamilie van goedachten
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| acht goed | gebiedende wijs | goedachten |
| achte goed | woordvorm | goedachten |
| achten goed | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | goedachten |
| achtte goed | verleden tijd | goedachten |
| achtten goed | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | goedachten |
| goedacht | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | goedachten |
| goedachte | with-subordinate-clause | goedachten |
| goedachtend | onvoltooid deelwoord | goedachten |
| goedachtende | woordvorm | goedachten |
| goedachtte | subordinate-clause, verleden tijd | goedachten |
| goedachtten | subordinate-clause, verleden tijd | goedachten |
| goedgeacht | voltooid deelwoord | goedachten |
| goedgeachte | woordvorm | goedachten |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van goedachten zijn vastgelegd.