glunderen
werkwoordBetekenis
- geluk of vreugde uitstralen
Vervoeging van glunderen
glunderenhele werkwoord — glunderdeverleden tijd enkelvoud — glunderdenverleden tijd meervoud — geglunderdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | glunder | glunderde |
| jij | glundert | glunderde |
| hij, zij, het | glundert | glunderde |
| wij | glunderen | glunderden |
| jullie | glunderen | glunderden |
| zij | glunderen | glunderden |
Alle 63 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| er is geglunderd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was geglunderd | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd geglunderd | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt geglunderd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal geglunderd worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal geglunderd zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou geglunderd worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou geglunderd zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| geglunderd | verleden tijd, deelwoord |
| geglunderd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| geglunderd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| glunder | gebiedende wijs |
| glunderde | verleden tijd |
| glundere | aanvoegende wijs |
| glunderend | onvoltooid, deelwoord |
| had geglunderd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had geglunderd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had geglunderd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden geglunderd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden geglunderd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden geglunderd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt geglunderd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb geglunderd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben geglunderd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben geglunderd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben geglunderd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben geglunderd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt geglunderd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft geglunderd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft geglunderd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te glunderen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te hebben geglunderd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen glunderen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal geglunderd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal geglunderd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal geglunderd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal glunderen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal glunderen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal glunderen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zou geglunderd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou geglunderd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou geglunderd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou glunderen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou glunderen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou glunderen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden geglunderd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden geglunderd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden geglunderd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden glunderen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden glunderen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden glunderen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt geglunderd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt glunderen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen geglunderd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen geglunderd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen geglunderd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen glunderen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen glunderen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen glunderen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen glunderen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult geglunderd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult glunderen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
Afgeleid van glunder.
Woordfamilie van glunderen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| geglunderd | voltooid deelwoord | glunderen |
| glunderde | verleden tijd | glunderen |
| glunderden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | glunderen |
| glundert | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | glunderen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van glunderen zijn vastgelegd.