versieren
werkwoord /vɛrˈsi:rə(n)/Betekenis
- iets meer aantrekkelijk of mooier maken
- langs (veelal officieuze) weg regelen
- verleiden
Hoe spreek je versieren uit?
/vɛrˈsirən/
Versieren bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de tweede.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| v | vis |
| ɛ | bed |
| r | rood |
| s | sok |
| i | riet |
| ə | de |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
werkwoord
- verleiden van iemand van wie je houdt informal, transitive
Vervoeging van versieren
versierenhele werkwoord — versierdeverleden tijd enkelvoud — versierdenverleden tijd meervoud — versierdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | versier | versierde |
| jij | versiert | versierde |
| hij, zij, het | versiert | versierde |
| wij | versieren | versierden |
| jullie | versieren | versierden |
| zij | versieren | versierden |
Alle 126 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben versierd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent versierd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is versierd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was versierd | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd versierd | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt versierd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal versierd worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal versierd zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou versierd worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou versierd zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had versierd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had versierd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had versierd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden versierd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden versierd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden versierd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt versierd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb versierd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben versierd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben versierd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben versierd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben versierd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt versierd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft versierd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft versierd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is versierd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is versierd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te hebben versierd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te versieren | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen versieren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| versier | gebiedende wijs |
| versierd | verleden tijd, deelwoord |
| versierd te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| versierd te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| versierd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| versierd te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| versierd te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| versierd worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| versierd zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| versierd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| versierd zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| versierd zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| versierde | verleden tijd |
| versiere | aanvoegende wijs |
| versierend | onvoltooid, deelwoord |
| waart versierd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren versierd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren versierd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren versierd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was versierd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was versierd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was versierd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd versierd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd versierd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd versierd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden versierd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden versierd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden versierd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt versierd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word versierd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden versierd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden versierd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden versierd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt versierd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt versierd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal versierd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal versierd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal versierd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal versierd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal versierd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal versierd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal versierd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal versieren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal versieren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal versieren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zijn versierd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn versierd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn versierd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt versierd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou versierd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou versierd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou versierd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou versierd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou versierd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou versierd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou versierd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou versierd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou versierd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou versieren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou versieren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou versieren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden versierd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden versierd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden versierd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden versierd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden versierd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden versierd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden versierd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden versierd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden versierd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden versieren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden versieren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden versieren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt versierd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt versierd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt versierd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt versieren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen versierd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen versierd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen versierd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen versierd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen versierd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen versierd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen versierd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen versierd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen versierd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen versieren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen versieren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen versieren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen versieren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult versierd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult versierd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult versierd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult versieren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
van Middelnederlands versieren, op te vatten als afgeleid van sieren ww met het voorvoegsel ver-, in de betekenis van ‘tooien’ aangetroffen vanaf 1285
Woordfamilie van versieren
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| versier | gebiedende wijs | versieren |
| versierd | voltooid deelwoord | versieren |
| versierde | verleden tijd | versieren |
| versierden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | versieren |
| versiere | aanvoegende wijs | versieren |
| versierend | onvoltooid deelwoord | versieren |
| versierende | woordvorm | versieren |
| versiert | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | versieren |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van versieren zijn vastgelegd.