mieren
werkwoord, zelfstandig naamwoord ˈmirə(n)Betekenis
- klooien, prutsen
Hoe spreek je mieren uit?
/ˈmirən/
Mieren bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| m | maan |
| i | riet |
| r | rood |
| ə | de |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Vervoeging van mieren
mierenhele werkwoord — mierdeverleden tijd enkelvoud — mierdenverleden tijd meervoud — gemierdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | mier | mierde |
| jij | miert | mierde |
| hij, zij, het | miert | mierde |
| wij | mieren | mierden |
| jullie | mieren | mierden |
| zij | mieren | mierden |
Alle 55 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ev. | gebiedende wijs |
| gemierd | verleden tijd, deelwoord |
| gemierd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gemierd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gemierd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gemierd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gemierd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gemierd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gemierd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gemierd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gemierd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gemierd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gemierd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gemierd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gemierd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gemierd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gemierd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gemierd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gemierd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| mier | gebiedende wijs |
| mierde | verleden tijd |
| miere | aanvoegende wijs |
| mierend | onvoltooid, deelwoord |
| te hebben gemierd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te mieren | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen mieren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal gemierd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gemierd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gemierd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal mieren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal mieren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal mieren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zou gemierd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gemierd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gemierd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou mieren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou mieren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou mieren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden gemierd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gemierd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gemierd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden mieren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden mieren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden mieren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt gemierd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt mieren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen gemierd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gemierd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gemierd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen mieren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen mieren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen mieren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen mieren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult gemierd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult mieren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
zelfstandig naamwoord
- Formicidae een familie van kolonievormende sociale insecten, die behoren tot de orde vliesvleugeligen (Hymenoptera). Mieren hebben zich kunnen aanpassen aan zeer verschillende leefomgevingen en komen wereldwijd voor. Ze zijn een van de meest dominante levensvormen op de bodem. Veel mierensoorten bouwen hun nest in de bodem of in holle bomen, andere soorten spinnen bladeren aan elkaar om een nest te maken, en weer andere leven in spleten tussen rotsen
Woordvorm
- meervoud van het zelfstandig naamwoord mier
Herkomst
ww afgeleid van mier zn met het achtervoegsel -en, in de betekenis van ‘zaniken, zeuren’ voor het eerst aangetroffen in 1898
Woordfamilie van mieren
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| gemierd | voltooid deelwoord | mieren |
| mierde | verleden tijd | mieren |
| mierden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | mieren |
| miere | aanvoegende wijs | mieren |
| mierend | onvoltooid deelwoord | mieren |
| mierende | woordvorm | mieren |
| miert | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | mieren |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van mieren zijn vastgelegd.