feest
zelfstandig naamwoord, werkwoord festBetekenis
- een vermakelijke en vreugdevolle sociale bijeenkomst
- een fijne bebeurtenis in het algemeen
Hoe spreek je feest uit?
/fest/
Feest bestaat uit één lettergreep.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| f | fiets |
| e | veel |
| s | sok |
| t | tak |
zelfstandig naamwoord — neuter
- vermakelijke en vreugdevolle sociale bijeenkomst
- een fijne gebeurtenis in het algemeen figuratively
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| feesten | meervoud |
| feestje | verkleinwoord, enkelvoud |
| feestjes | verkleinwoord, meervoud |
Woordvorm
- enkelvoud tegenwoordige tijd van feesten
- gebiedende wijs van feesten
Vervoeging van feest
feesthele werkwoord
Herkomst
via Middelnederlands feeste via Oudfrans feste van Latijn festa bn ( dies zn ); in de betekenis van ‘viering’ aangetroffen vanaf 1265
Woordfamilie van feest
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| feestje | verkleinwoord | feest |
| feestjes | verkleinwoord meervoud | feest |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van feest zijn vastgelegd.