beest
zelfstandig naamwoord, werkwoord /beːst/Betekenis
- dier, gebruikt om het aardse, niet menselijke van een dier te benadrukken
- benaming voor een mens, meestal een man, als men wild en dierlijk gedrag wil aangeven. Kan zowel een positieve als negatieve bijbetekenis hebben: Wat een beest! kan afhankelijk van de context zowel bewondering voor een krachtsinspanning als afschuw voor immoreel gedrag uitdrukken.
- koe; een vrouwelijk rund
Hoe spreek je beest uit?
/best/
Beest bestaat uit één lettergreep.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| b | bak |
| e | veel |
| s | sok |
| t | tak |
zelfstandig naamwoord — neuter
- dier, met de nadruk op het aardse, niet-menselijke aspect
- vaak mens, meestal een man, die wild, dierlijk en/of wreed gedrag vertoont Kan zowel een positieve als negatieve bijbetekenis hebben: Wat een beest! kan afhankelijk van de context zowel bewondering voor een krachtsinspanning als afschuw voor immoreel gedrag uitdrukken. figuratively, pejorative
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| beesten | meervoud |
| beestje | verkleinwoord, enkelvoud |
| beestjes | verkleinwoord, meervoud |
Woordvorm
- enkelvoud tegenwoordige tijd van beesten
- gebiedende wijs van beesten
Vervoeging van beest
beesthele werkwoord
Herkomst
via Middelnederlands beeste en Oudfrans beste van Latijn bestia, in de betekenis van ‘dier’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1253
Woordfamilie van beest
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| beestjes | verkleinwoord meervoud | beest |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van beest zijn vastgelegd.