feestvieren
werkwoordBetekenis
- deelnemen aan een feest en uiting geven aan feestvreugde
Vervoeging van feestvieren
feestvierenhele werkwoord — vierde feestverleden tijd enkelvoud — vierden feestverleden tijd meervoud — feestgevierdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | vier feest | vierde feest |
| jij | viert feest | vierde feest |
| hij, zij, het | viert feest | vierde feest |
| wij | vieren feest | vierden feest |
| jullie | vieren feest | vierden feest |
| zij | vieren feest | vierden feest |
Alle 74 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ev. | gebiedende wijs |
| feest te vieren | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| feest te zullen vieren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| feest zal vieren | bijzin, toekomende tijd |
| feest zou vieren | bijzin, voorwaardelijk |
| feest zouden vieren | bijzin, voorwaardelijk |
| feest zoudt vieren | bijzin, voorwaardelijk |
| feest zullen vieren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| feest zullen vieren | bijzin, toekomende tijd |
| feest zult vieren | bijzin, toekomende tijd |
| feestgevierd | verleden tijd, deelwoord |
| feestgevierd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| feestgevierd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| feestvier | bijzin, tegenwoordige tijd |
| feestvierde | bijzin, verleden tijd |
| feestvierden | bijzin, verleden tijd |
| feestvierend | onvoltooid, deelwoord |
| feestviert | bijzin, tegenwoordige tijd |
| had feestgevierd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had feestgevierd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had feestgevierd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden feestgevierd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden feestgevierd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden feestgevierd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt feestgevierd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb feestgevierd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben feestgevierd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben feestgevierd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben feestgevierd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben feestgevierd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt feestgevierd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft feestgevierd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft feestgevierd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te hebben feestgevierd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen feestvieren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| vier feest | gebiedende wijs |
| vierde feest | verleden tijd |
| zal feestgevierd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal feestgevierd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal feestgevierd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal feestvieren | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal feestvieren | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal feestvieren | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal feestvieren | bijzin, toekomende tijd |
| zou feestgevierd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou feestgevierd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou feestgevierd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou feestvieren | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou feestvieren | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou feestvieren | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou feestvieren | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) feestvieren feest zou(dt) vieren | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden feestgevierd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden feestgevierd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden feestgevierd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden feestvieren | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden feestvieren | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden feestvieren | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden feestvieren | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt feestgevierd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt feestvieren | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt feestvieren | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen feestgevierd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen feestgevierd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen feestgevierd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen feestvieren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen feestvieren | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen feestvieren | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen feestvieren | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen feestvieren | bijzin, toekomende tijd |
| zult feestgevierd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult feestvieren | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult feestvieren | bijzin, toekomende tijd |
| zult/zal feestvieren feest zult/zal vieren | bijzin, toekomende tijd |
Herkomst
samenstelling van feest zn en vieren ww
Woordfamilie van feestvieren
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| feestgevierd | voltooid deelwoord | feestvieren |
| feestvier | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | feestvieren |
| feestvierde | subordinate-clause, verleden tijd | feestvieren |
| feestvierden | subordinate-clause, verleden tijd | feestvieren |
| feestviere | with-subordinate-clause | feestvieren |
| feestvierend | onvoltooid deelwoord | feestvieren |
| feestvierende | woordvorm | feestvieren |
| feestviert | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | feestvieren |
| vier feest | gebiedende wijs | feestvieren |
| vierde feest | verleden tijd | feestvieren |
| vierden feest | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | feestvieren |
| viere feest | woordvorm | feestvieren |
| vieren feest | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | feestvieren |
| viert feest | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | feestvieren |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van feestvieren zijn vastgelegd.