een
lidwoord, hoofdtelwoord, zelfstandig naamwoord, bijvoeglijk naamwoord ənBetekenis
- een onbepaald lidwoord dat in het Nederlands wordt gebruikt voor een onbepaald zelfstandig naamwoord in het enkelvoud.
- ook voor meervouden in uitroepende zinnen die verbazing over een aantal uitdrukken
- '1', het kleinste gehele getal, het getal tussen nul en twee
- een geheel vormend
- dat wat in een (rang)ordening met 1 is aangeduid
- het cijfer 1
- enkel iets of iemand (als tegenstelling met meerdere)
- verschillende zaken die zo met elkaar verbonden zijn dat ze eigenlijk een voorwerp geworden zijn
- een en al helemaal
- één; het kleinste hele getal, in Arabische cijfers 1, in Romeinse cijfers I
- één; het getal 1
- 'n; een onbepaald lidwoord
- dialect: Hindeloopers) , één; het kleinste hele getal, in Arabische cijfers 1, in Romeinse cijfers I
- men
- ene
Hoe spreek je een uit?
/ən/
Een bestaat uit één lettergreep.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| ə | de |
| n | nek |
lidwoord
- onbepaald lidwoord dat in het Nederlands wordt gebruikt voor een onbepaald zelfstandig naamwoord in het enkelvoud.
Verbuiging en vervoeging (lidwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| 'n | |
| [A] een | canonical |
hoofdtelwoord
- "1", het kleinste gehele getal, het getal tussen nul en twee
Verbuiging en vervoeging (hoofdtelwoord)
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| één |
Verbuiging en vervoeging (bijvoeglijk naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| [B] een | canonical |
| één |
Herkomst
erfwoord, via Middelnederlands een van Oudnederlands ēn **[A] als lidwoord voor het eerst aangetroffen in het jaar 1100 **[B] als telwoord voor het eerst aangetroffen in het jaar 901