Naar de inhoud

metselen

losse stenen met voegspecie samenvoegen om zo een muur te bouwen

metselen

werkwoord ˈmɛtsəˌlə(n)

Betekenis

  1. losse stenen met voegspecie samenvoegen om zo een muur te bouwen

Hoe spreek je metselen uit?

/ˈmɛtsəˌlən/

Metselen bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.

De tekens in /ˈmɛtsəˌlən/ en een woord waarin dezelfde klank staat.
Teken Klinkt als in
m maan
ɛ bed
t tak
s sok
ə de
l land
n nek
ˈ de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint
ˌ een lichtere nadruk, zwakker dan de hoofdklemtoon

Vervoeging van metselen

metselenhele werkwoord — metseldeverleden tijd enkelvoud — metseldenverleden tijd meervoud — gemetseldvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik metsel metselde
jij metselt metselde
hij, zij, het metselt metselde
wij metselen metselden
jullie metselen metselden
zij metselen metselden
Alle 63 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
er is gemetseld impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was gemetseld impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd gemetseld impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt gemetseld impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal gemetseld worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal gemetseld zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou gemetseld worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou gemetseld zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
gemetseld verleden tijd, deelwoord
gemetseld te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
gemetseld zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
had gemetseld voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had gemetseld voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had gemetseld voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden gemetseld voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden gemetseld voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden gemetseld voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt gemetseld voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb gemetseld voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben gemetseld actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben gemetseld voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben gemetseld voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben gemetseld voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt gemetseld voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft gemetseld voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft gemetseld voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
metsel gebiedende wijs
metselde verleden tijd
metsele aanvoegende wijs
metselend onvoltooid, deelwoord
te hebben gemetseld actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te metselen actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen metselen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
zal gemetseld hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal gemetseld hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal gemetseld hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal metselen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal metselen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal metselen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zou gemetseld hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou gemetseld hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou gemetseld hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou metselen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou metselen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou metselen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zouden gemetseld hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden gemetseld hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden gemetseld hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden metselen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden metselen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden metselen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zoudt gemetseld hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt metselen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zullen gemetseld hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen gemetseld hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen gemetseld hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen metselen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen metselen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen metselen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen metselen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zult gemetseld hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult metselen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon

Herkomst

In de betekenis van ‘bouwen met mortel en stenen’ voor het eerst aangetroffen in 1360

Woordfamilie van metselen

Woordvorm Relatie Afgeleid van
gemetseld voltooid deelwoord metselen
metsel gebiedende wijs metselen
metselde verleden tijd metselen
metselden aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon metselen
metsele aanvoegende wijs metselen
metselend onvoltooid deelwoord metselen
metselende woordvorm metselen
metselt aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon metselen

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van metselen zijn vastgelegd.

Afleidingen en samenstellingen

Veelgestelde vragen over metselen

Hoe spreek ik metselen uit?
Zo spreek je metselen uit: /ˈmɛtsəˌlə(n)/. Dat is de weergave in het internationaal fonetisch alfabet, waarin elke klank een eigen teken heeft. Het streepje ˈ markeert de klemtoon: die ligt op de eerste lettergreep.
Wat is de betekenis van metselen?
Metselen is een werkwoord. De betekenis is: losse stenen met voegspecie samenvoegen om zo een muur te bouwen.
Hoe vervoeg ik metselen?
Zo vervoeg je metselen zo: de tegenwoordige tijd is metsel, de verleden tijd is metselde en het voltooid deelwoord is gemetseld. Alle vormen staan in de tabel op deze pagina.

Rijmwoordenboek: wat rijmt er op metselen?

Op metselen rijmen 9 woorden, onder andere een, aangeven en leuven. Ze klinken vanaf de beklemtoonde lettergreep hetzelfde, niet alleen op de laatste letters.

Rijmwoorden op metselen, uitspraak ˈmɛtsəˌlən, de gangbaarste eerst.
Rijmwoord Lettergrepen
een 1
aangeven 3
leuven 2
stemmen 1
ronselen 3
verzusteren 4
mangelden 3
nen 1
pycnidiën 4

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord metselen is 14 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. M 3
  2. E 1
  3. T 2
  4. S 2
  5. E 1
  6. L 3
  7. E 1
  8. N 1
  9. 14 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

metselen levert met Wordfeud minimaal 14 en maximaal 60 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. M 3
  2. E 1
  3. T 2
  4. S 2
  5. E 1
  6. L 3
  7. E 1
  8. N 1
  9. 14 zonder bonus
  10. 60 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (M) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

metselen in het kort

metselen staat in dit woordenboek als werkwoord. Van metselen staan er 40 woordvormen vastgelegd; de tabel op deze pagina laat ze zien. Daarnaast hoort metselen bij een woordfamilie van 8 verwante woorden, bepaald aan de hand van vastgelegde woordvormrelaties.

metselen: losse stenen met voegspecie samenvoegen om zo een muur te bouwen
Deel metselen — standaardnederlands.nl