verzusteren
werkwoord vərˈzʏstəˌrə(n)Betekenis
- bijzonder sterke banden aanknopen
- zich ~: zich als zusters met elkaar verenigen
Hoe spreek je verzusteren uit?
/vərˈzʏstəˌrən/
Verzusteren bestaat uit vier lettergrepen. De klemtoon ligt op de tweede.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| v | vis |
| ə | de |
| r | rood |
| z | zon |
| ʏ | put |
| s | sok |
| t | tak |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
| ˌ | een lichtere nadruk, zwakker dan de hoofdklemtoon |
werkwoord
- een stedenband aangaan unergative
Vervoeging van verzusteren
verzusterenhele werkwoord — verzusterdeverleden tijd enkelvoud — verzusterdenverleden tijd meervoud — verzusterdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | verzuster | verzusterde |
| jij | verzustert | verzusterde |
| hij, zij, het | verzustert | verzusterde |
| wij | verzusteren | verzusterden |
| jullie | verzusteren | verzusterden |
| zij | verzusteren | verzusterden |
Alle 55 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ev. | gebiedende wijs |
| had verzusterd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had verzusterd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had verzusterd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden verzusterd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden verzusterd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden verzusterd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt verzusterd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb verzusterd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben verzusterd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben verzusterd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben verzusterd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben verzusterd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt verzusterd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft verzusterd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft verzusterd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te hebben verzusterd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te verzusteren | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen verzusteren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| verzuster | gebiedende wijs |
| verzusterd | verleden tijd, deelwoord |
| verzusterd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| verzusterd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| verzusterde | verleden tijd |
| verzustere | aanvoegende wijs |
| verzusterend | onvoltooid, deelwoord |
| zal verzusterd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal verzusterd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal verzusterd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal verzusteren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal verzusteren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal verzusteren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zou verzusterd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou verzusterd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou verzusterd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou verzusteren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou verzusteren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou verzusteren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden verzusterd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden verzusterd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden verzusterd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden verzusteren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden verzusteren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden verzusteren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt verzusterd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt verzusteren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen verzusterd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen verzusterd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen verzusterd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen verzusteren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen verzusteren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen verzusteren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen verzusteren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult verzusterd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult verzusteren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
afgeleid van zuster met het voorvoegsel ver- en met het achtervoegsel -en
Woordfamilie van verzusteren
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| verzuster | gebiedende wijs | verzusteren |
| verzusterd | voltooid deelwoord | verzusteren |
| verzusterde | verleden tijd | verzusteren |
| verzusterden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | verzusteren |
| verzustere | aanvoegende wijs | verzusteren |
| verzusterend | onvoltooid deelwoord | verzusteren |
| verzusterende | woordvorm | verzusteren |
| verzustert | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | verzusteren |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van verzusteren zijn vastgelegd.