eendagsvlieg
zelfstandig naamwoord ˈendɑxsˌflixBetekenis
- een insect dat na het larvenstadium slechts korte tijd leeft
- een neologisme dat slechts één of hooguit enkele malen gebruikt wordt (bijvoorbeeld in een krant) en daarna weer helemaal uit de taal verdwijnt
Hoe spreek je eendagsvlieg uit?
/ˈendɑxsˌflix/
Eendagsvlieg bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| e | veel |
| n | nek |
| d | dak |
| ɑ | bad |
| x | acht |
| s | sok |
| f | fiets |
| l | land |
| i | riet |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
| ˌ | een lichtere nadruk, zwakker dan de hoofdklemtoon |
zelfstandig naamwoord — feminine, masculine
- insect uit de orde Ephemeroptera dat na het larvenstadium uit het water te zijn gekomen nog slechts korte tijd blijft leven
- iemand die of iets dat eenmalig en gedurende korte tijd succes heeft, bekend/populair is e.d. figuratively
- neologisme dat slechts één of hooguit enkele malen gebruikt wordt (bijvoorbeeld in een krant) en daarna weer helemaal uit de taal verdwijnt
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| eendagsvliegen | meervoud |
| eendagsvliegje | verkleinwoord, enkelvoud |
| eendagsvliegjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
In de betekenis van ‘haft’ voor het eerst aangetroffen in 1769
Woordfamilie van eendagsvlieg
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| eendagsvliegen | meervoud | eendagsvlieg |
| eendagsvliegje | verkleinwoord | eendagsvlieg |
| eendagsvliegjes | verkleinwoord meervoud | eendagsvlieg |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van eendagsvlieg zijn vastgelegd.