Naar de inhoud

ronselen

iemand aanwerven voor dienst in het leger of aan boord van een schip

ronselen

werkwoord /ˈrɔnsəˌlə(n)/

Betekenis

  1. iemand aanwerven voor dienst in het leger of aan boord van een schip

Hoe spreek je ronselen uit?

/ˈrɔnsəˌlən/

Ronselen bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.

De tekens in /ˈrɔnsəˌlən/ en een woord waarin dezelfde klank staat.
Teken Klinkt als in
r rood
ɔ bot
n nek
s sok
ə de
l land
ˈ de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint
ˌ een lichtere nadruk, zwakker dan de hoofdklemtoon

Vervoeging van ronselen

ronselenhele werkwoord — ronseldeverleden tijd enkelvoud — ronseldenverleden tijd meervoud — geronseldvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik ronsel ronselde
jij ronselt ronselde
hij, zij, het ronselt ronselde
wij ronselen ronselden
jullie ronselen ronselden
zij ronselen ronselden
Alle 126 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
- impersonal, passief
ben geronseld voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent geronseld voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
er is geronseld impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was geronseld impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd geronseld impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt geronseld impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal geronseld worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal geronseld zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou geronseld worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou geronseld zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
geronseld verleden tijd, deelwoord
geronseld te worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
geronseld te zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
geronseld te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
geronseld te zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
geronseld te zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
geronseld worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
geronseld zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
geronseld zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
geronseld zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
geronseld zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
had geronseld voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had geronseld voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had geronseld voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden geronseld voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden geronseld voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden geronseld voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt geronseld voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb geronseld voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben geronseld actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben geronseld voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben geronseld voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben geronseld voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt geronseld voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft geronseld voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft geronseld voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
is geronseld voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is geronseld voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
ronsel gebiedende wijs
ronselde verleden tijd
ronsele aanvoegende wijs
ronselend onvoltooid, deelwoord
te hebben geronseld actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te ronselen actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen ronselen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
waart geronseld voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren geronseld voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren geronseld voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren geronseld voltooid, verleden tijd, derde persoon
was geronseld voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was geronseld voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was geronseld voltooid, verleden tijd, derde persoon
werd geronseld enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon
werd geronseld enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
werd geronseld enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
werden geronseld enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon
werden geronseld enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon
werden geronseld enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon
werdt geronseld enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
word geronseld enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
worden geronseld enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon
worden geronseld enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon
worden geronseld enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
wordt geronseld enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon
wordt geronseld enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zal geronseld hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal geronseld hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal geronseld hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal geronseld worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal geronseld worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zal geronseld zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal geronseld zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal ronselen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal ronselen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal ronselen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zijn geronseld voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn geronseld voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn geronseld voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt geronseld voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou geronseld hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou geronseld hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou geronseld hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou geronseld worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou geronseld worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zou geronseld worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou geronseld zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou geronseld zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou geronseld zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou ronselen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou ronselen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou ronselen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zouden geronseld hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden geronseld hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden geronseld hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden geronseld worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden geronseld worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden geronseld worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden geronseld zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden geronseld zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden geronseld zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden ronselen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden ronselen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden ronselen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zoudt geronseld hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt geronseld worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt geronseld zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt ronselen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zullen geronseld hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen geronseld hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen geronseld hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen geronseld worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen geronseld worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen geronseld worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen geronseld zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen geronseld zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen geronseld zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen ronselen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen ronselen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen ronselen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen ronselen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zult geronseld hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult geronseld worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult geronseld zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult ronselen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon

Herkomst

Leenwoord uit het ?, in de betekenis van ‘werven’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1720

Woordfamilie van ronselen

Woordvorm Relatie Afgeleid van
geronseld voltooid deelwoord ronselen
ronsel gebiedende wijs ronselen
ronselde verleden tijd ronselen
ronselden aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon ronselen
ronsele aanvoegende wijs ronselen
ronselend onvoltooid deelwoord ronselen
ronselende woordvorm ronselen
ronselt aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon ronselen

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van ronselen zijn vastgelegd.

Veelgestelde vragen over ronselen

Hoe spreek ik ronselen uit?
Zo spreek je ronselen uit: /ˈrɔnsəˌlə(n)/. Dat is de weergave in het internationaal fonetisch alfabet, waarin elke klank een eigen teken heeft. Het streepje ˈ markeert de klemtoon: die ligt op de eerste lettergreep.
Wat is de betekenis van ronselen?
Ronselen is een werkwoord. De betekenis is: iemand aanwerven voor dienst in het leger of aan boord van een schip.
Hoe vervoeg ik ronselen?
Zo vervoeg je ronselen zo: de tegenwoordige tijd is ronsel, de verleden tijd is ronselde en het voltooid deelwoord is geronseld. Alle vormen staan in de tabel op deze pagina.

Rijmwoordenboek: wat rijmt er op ronselen?

Op ronselen rijmen 9 woorden, onder andere een, aangeven en leuven. Ze klinken vanaf de beklemtoonde lettergreep hetzelfde, niet alleen op de laatste letters.

Rijmwoorden op ronselen, uitspraak ˈrɔnsəˌlən, de gangbaarste eerst.
Rijmwoord Lettergrepen
een 1
aangeven 3
leuven 2
metselen 3
stemmen 1
verzusteren 4
mangelden 3
nen 1
pycnidiën 4

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord ronselen is 12 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. R 2
  2. O 1
  3. N 1
  4. S 2
  5. E 1
  6. L 3
  7. E 1
  8. N 1
  9. 12 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

ronselen levert met Wordfeud minimaal 12 en maximaal 54 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. R 2
  2. O 1
  3. N 1
  4. S 2
  5. E 1
  6. L 3
  7. E 1
  8. N 1
  9. 12 zonder bonus
  10. 54 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (L) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

ronselen in het kort

ronselen staat in dit woordenboek als werkwoord. Van ronselen staan er 75 woordvormen vastgelegd; de tabel op deze pagina laat ze zien. Daarnaast hoort ronselen bij een woordfamilie van 8 verwante woorden, bepaald aan de hand van vastgelegde woordvormrelaties.

ronselen: iemand aanwerven voor dienst in het leger of aan boord van een schip
Deel ronselen — standaardnederlands.nl