eencellig
bijvoeglijk naamwoordBetekenis
- uit één cel bestaand
Verbuiging en vervoeging (bijvoeglijk naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| eencellige | verbogen, stellende trap |
| eencelligs | partitief, stellende trap |
Herkomst
Samenstellende afleiding van een en cel met het achtervoegsel -ig
Woordfamilie van eencellig
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| eencellige | verbogen vorm | eencellig |
| eencelligs | partitive, positive | eencellig |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van eencellig zijn vastgelegd.