geld
zelfstandig naamwoord, werkwoord ɣɛltBetekenis
- in vaste eenheden verdeeld ruilmiddel dat in een samenleving wordt gebruikt voor betalen en sparen
- algemeen gangbaar betaal- en spaarmiddel
- door de overheid aangewezen ruilmiddel voor betaling van goederen, diensten en belastingen
- rijkdom waarover persoon of een organisatie beschikt
- een ruilmiddel dat gegarandeerd wordt door een land waarmee goederen en diensten kunnen worden gekocht
Hoe spreek je geld uit?
/xɛlt/
Geld bestaat uit één lettergreep.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| x | acht |
| ɛ | bed |
| l | land |
| t | tak |
Klinkt hetzelfde als geldt, gelt.
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| gelden | meervoud |
| geldje | verkleinwoord, enkelvoud |
| geldjes | verkleinwoord, meervoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van gelden
- gebiedende wijs van gelden
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van gelden
Vervoeging van geld
geldhele werkwoord
Woordfamilie van geld
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| geldje | verkleinwoord | geld |
| geldjes | verkleinwoord meervoud | geld |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van geld zijn vastgelegd.