markt
zelfstandig naamwoord, werkwoord ˈmɑrᵊktBetekenis
- plein of straat waar handelaren hun waar (3) aan de klanten verkopen
- het geheel van omstandigheden waaronder gevraagde en aangeboden hoeveelheden van een bepaald product of een bepaalde dienst verhandeld worden tegen een bepaalde prijs
Hoe spreek je markt uit?
/ˈmɑrəkt/
Markt bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| m | maan |
| ɑ | bad |
| r | rood |
| ə | de |
| k | kat |
| t | tak |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| markten | meervoud |
| marktje | verkleinwoord, enkelvoud |
| marktjes | verkleinwoord, meervoud |
Woordvorm
- enkelvoud tegenwoordige tijd van markten
- gebiedende wijs van markten
Vervoeging van markt
markthele werkwoord
Herkomst
van Latijn mercatus zn "markt", wat weer is afgeleid van mercari ww "handel drijven"; in de betekenis van ‘plaats voor openbare handel’ aangetroffen vanaf 1240
Woordfamilie van markt
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| markten | meervoud | markt |
| marktje | verkleinwoord | markt |
| marktjes | verkleinwoord meervoud | markt |
| gemarkt | woordvorm | markten |
| markte | woordvorm | markten |
| marktend | woordvorm | markten |
| marktende | woordvorm | markten |
| marktte | woordvorm | markten |
| marktten | woordvorm | markten |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van markt zijn vastgelegd.
Afleidingen en samenstellingen
- marktaandeel
- marktanalist
- marktanalyse
- marktbericht
- marktconform
- marktdag
- marktdominantie
- markteconomie
- marktevenwicht
- marktfalen
- marktfundamentalisme
- marktgedrag
- marktgedreven
- marktgemiddelde
- markthal
- marktideologie
- marktintroductie
- marktkapitalisatie
- marktkoopman
- marktkraam
- marktkramer
- marktleider
- marktmacht
- marktmanipulatie