broed
zelfstandig naamwoord, werkwoordBetekenis
- eieren of larven van een dier
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| broedje | verkleinwoord, enkelvoud |
| broedjes | verkleinwoord, meervoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van broeden
- gebiedende wijs van broeden
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van broeden
Vervoeging van broed
broedhele werkwoord
Woordfamilie van broed
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| broedje | verkleinwoord | broed |
| broedjes | verkleinwoord meervoud | broed |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van broed zijn vastgelegd.