Onduidelijke verwijzingen met dit, dat en die voorkomen
Woorden als „dit”, „dat” en „die” verwijzen vaak naar een hele zin of alinea, en juist dan gaat het mis. De lezer weet niet precies wat er bedoeld wordt. Op deze pagina lees je waarom zulke verwijzingen onduidelijk zijn, hoe je ze herkent en hoe je ze herschrijft met een duidelijk zelfstandig naamwoord. Met voorbeelden oefen je dat meteen.
Door Maarten Soetens
Waarom verwijzingen met „dit”, „dat” en „die” misgaan
De woorden dit, dat, deze en die heten aanwijzende voornaamwoorden. Staat zo'n woord bij een zelfstandig naamwoord, zoals in dit besluit, dan is de verwijzing meestal duidelijk. Het probleem ontstaat als dit of dat alleen staat en verwijst naar een hele zin of een lang stuk tekst.
Lees dit voorbeeld: De gemeente verhoogt de parkeertarieven en verlaagt de vergunningsprijs. Dit zorgt voor discussie. Wat zorgt er voor discussie: de verhoging, de verlaging of allebei? De schrijver weet het, maar de lezer moet gokken.
Onduidelijkheid ontstaat vooral in deze situaties:
- Het woord verwijst naar een hele zin of alinea in plaats van naar één woord.
- Er zijn meerdere zaken waar het woord naar kan verwijzen.
- Het woord staat ver van de zaak waarnaar het verwijst.
- Het woord opent een nieuwe alinea, zodat de lezer eerst terug moet zoeken.
Let ook op de vorm. Bij een enkelvoudig het-woord gebruik je dit of dat, bij een de-woord of een meervoud gebruik je deze of die: dit boek, deze regel, die regels. Daarnaast wijzen dit en deze meestal naar iets wat dichtbij is, en dat en die naar iets wat verder weg staat, in de tekst of in de tijd.
Staat er alleen dit of dat, dan kan het ook verwijzen naar een hele zin. Dat is toegestaan, maar alleen als het vanzelf duidelijk is.
Voorbeelden van onduidelijke en duidelijke verwijzingen
Hieronder staat steeds een onduidelijke verwijzing, met een betere versie ernaast.
- De bank sloot drie kantoren. Dit zorgt voor onrust. Beter: Deze sluiting zorgt voor onrust. Het zelfstandig naamwoord sluiting maakt duidelijk wat er bedoeld wordt.
- Het project is vertraagd en het budget is op. Dat is een probleem. Beter: Deze combinatie is een probleem. Het woord combinatie vat beide punten samen.
- De leerlingen kregen meer huiswerk, maar de lessen werden korter. Dit vonden de ouders onacceptabel. Beter: Deze verandering vonden de ouders onacceptabel. Nu is duidelijk dat het om beide delen samen gaat.
- Er ligt een nieuw voorstel naast het oude plan. Dat is beter. Beter: Het nieuwe voorstel is beter dan het oude plan. Hier valt de verwijzing helemaal weg.
- Dit besluit zorgt voor onrust. Dit is al duidelijk, omdat dit bij het zelfstandig naamwoord besluit staat.
- De trein had vertraging. Dat was vervelend. Hier kan dat alleen naar de vertraging verwijzen, dus de zin is duidelijk.
Je ziet dat een verwijzing zonder zelfstandig naamwoord alleen werkt als er één duidelijke kandidaat is. Zijn het er meer, dan kost het de lezer moeite om te raden wat je bedoelt, en vaak leest hij de zin dan nog een keer.
Gebruik dit en dat dus met zorg.
Zo maak je verwijzingen duidelijk
Een onduidelijke verwijzing herken je door bij elk dit, dat en die te vragen: waar verwijst dit precies naar? Kun je dat niet in één woord of korte groep woorden zeggen, dan is de lezer ook in de war.
Zo los je het op:
- Voeg een zelfstandig naamwoord toe. Schrijf dit besluit, deze maatregel of dat probleem in plaats van alleen dit of dat.
- Gebruik een samenvattend naamwoord. Woorden als ontwikkeling, maatregel, reden, gevolg, keuze en aanpak vatten een voorgaande zin of alinea in één woord samen.
- Noem het begrip opnieuw. Past er geen goed samenvattend woord, herhaal dan het zelfstandig naamwoord waar je het over hebt.
- Zet de verwijzing dichtbij. Plaats dit of dat direct na de zin of het woord waarnaar je verwijst.
- Schrijf de zin om. Soms valt de verwijzing weg als je de twee zinnen samenvoegt.
Begin een nieuwe alinea niet met een los dit of dat als de verwijzing naar de vorige alinea gaat. De lezer heeft dan net een witregel gepasseerd en moet extra moeite doen om de draad te pakken. Een samenvattend naamwoord als Deze ontwikkeling helpt hem daarbij.
Laat je tekst tot slot door iemand anders lezen en vraag waar dit en dat naar verwijzen.
Veelgestelde vragen
Wanneer gebruik je „dit” en wanneer „dat”?
Beide woorden gebruik je voor enkelvoudige „het”-woorden, zoals dit boek en dat huis. „Dit” wijst naar iets wat dichtbij is, in de tekst of in de ruimte, en „dat” naar iets wat verder weg is. Bij een „de”-woord of een meervoud gebruik je „deze” en „die”, zoals in deze regel en die regels. Verwijs je naar een zin of een idee, dan kun je „dit” of „dat” gebruiken. Zet er bij twijfel liever een zelfstandig naamwoord bij.
Mag je een alinea beginnen met „Dit”?
Dat mag, maar het is niet altijd verstandig. Een alinea die begint met een los „dit” dwingt de lezer terug te kijken naar de vorige alinea. Dat gaat goed als de verwijzing maar één duidelijke kandidaat heeft. Bij twijfel schrijf je liever Dit besluit of Deze ontwikkeling aan het begin van de alinea. Zo is de brug tussen de alinea's meteen helder.
Wat is een samenvattend naamwoord?
Een samenvattend naamwoord is een zelfstandig naamwoord dat een voorgaande zin of alinea in één woord samenvat. Voorbeelden zijn „maatregel”, „ontwikkeling”, „reden” en „gevolg”. Je gebruikt het meestal samen met „dit” of „deze”, zoals in deze maatregel. Zo weet de lezer precies waar je naar verwijst. Het woord moet wel passen bij wat er eerder stond.