Verwijswoorden correct gebruiken: regels en voorbeelden
Verwijswoorden zijn woorden als „hij”, „zij”, „het”, „deze” en „die” die verwijzen naar iets wat al genoemd is. Ze voorkomen herhaling en houden een tekst vlot. Op deze pagina lees je welke soorten er zijn, welke regels gelden en welke fouten vaak voorkomen. Met voorbeelden zie je hoe je verwijswoorden correct en duidelijk gebruikt.
Door Maarten Soetens
Welke verwijswoorden zijn er en hoe werken ze?
Een verwijswoord wijst terug naar een woord of zinsdeel dat eerder in de tekst staat. Dat woord heet het antecedent. In Mila heeft een nieuwe baan. Ze begint volgende week. verwijst ze naar Mila. Zo hoef je de naam niet te herhalen.
Er zijn verschillende soorten verwijswoorden:
- Persoonlijke voornaamwoorden: hij, zij, ze, het, wij. Voorbeeld: Jan werkt thuis. Hij begint om acht uur.
- Bezittelijke voornaamwoorden: mijn, zijn, haar, hun. Voorbeeld: De leraren pakken hun spullen.
- Aanwijzende voornaamwoorden: dit, dat, deze, die. Voorbeeld: Deze regel geldt voor iedereen.
- Betrekkelijke voornaamwoorden: die, dat, wat, waar.... Voorbeeld: het boek dat ik las.
Voor een correct gebruik gelden een paar eenvoudige regels. Het verwijswoord past in getal bij het antecedent: enkelvoud verwijst naar enkelvoud en meervoud naar meervoud. Bij een betrekkelijk voornaamwoord gebruik je die na de-woorden en meervouden (de man die, de boeken die) en dat na het-woorden (het huis dat). Na alles, iets, niets en veel gebruik je wat: alles wat ik zei.
Daarnaast moet het verwijswoord dicht bij zijn antecedent staan en moet er maar één logische kandidaat zijn.
Een goed verwijswoord laat de lezer niets raden. Hij ziet direct welk woord eerder genoemd is en kan de tekst in één keer volgen. Dat spaart tijd en voorkomt dat hij terug moet lezen om de verwijzing te controleren.
Voorbeelden van correcte en onduidelijke verwijzingen
De voorbeelden hieronder laten zien wat goed gaat en waar de verwijzing mis kan lopen.
- De collega's overleggen. Ze nemen een besluit. Het meervoudige ze past bij het meervoudige antecedent de collega's.
- Het huis dat wij kochten, staat in Zwolle. Bij het het-woord huis hoort het betrekkelijk voornaamwoord dat.
- De man die naast mij woont, is dokter. Bij het de-woord man hoort die.
- Alles wat je zegt, klopt. Na alles volgt wat, geen dat of die.
- De leraren pakken hun spullen. Het bezittelijke hun past bij het meervoudige de leraren.
- Sanne sprak met Lotte. Zij was erg moe. Dit is onduidelijk, want zij kan zowel Sanne als Lotte zijn. Beter: Sanne sprak met Lotte. Lotte was erg moe.
- De uitgever stuurde de schrijver zijn contract. Hier is niet duidelijk van wie het contract is. Herschrijf als De uitgever stuurde het contract naar de schrijver.
De laatste twee voorbeelden laten de belangrijkste les zien: bij twijfel herhaal je het zelfstandig naamwoord of schrijf je de zin om. Dat is altijd beter dan een onduidelijk verwijswoord. Een lezer die moet raden naar wie of wat je verwijst, haakt snel af en moet de zin vaak opnieuw lezen. Controleer na het schrijven elk verwijswoord op dezelfde manier, ook als je denkt dat het vanzelf duidelijk is.
Veelgemaakte fouten en hoe je ze voorkomt
De meeste fouten met verwijswoorden zijn te vermijden met een korte controle. Dit zijn de vier meest voorkomende.
- Twee mogelijke antecedenten. Als twee personen of zaken in aanmerking komen, herhaal dan de naam of herschrijf de zin.
- Een te grote afstand. Staat er tussen het verwijswoord en het antecedent een hele alinea, dan is de verwijzing zwak. Noem het zelfstandig naamwoord dan opnieuw.
- Een antecedent dat niet genoemd is. In In de krant staat dat ze de belasting verhogen blijft onduidelijk wie ze zijn.
- Een verkeerd getal. Een bedrijf is enkelvoud, dus schrijf Het bedrijf verhoogt zijn prijzen en niet hun prijzen. Kies binnen een tekst steeds hetzelfde getal.
Let ook op hun en hen. Volgens de gangbare regel gebruik je hun voor bezit en als meewerkend voorwerp (hun fiets, ik geef hun een boek). Je gebruikt hen als lijdend voorwerp of na een voorzetsel (ik zie hen, met hen). Is dat te lastig, dan kun je vaak ze gebruiken.
Een eenvoudige controle: vervang het verwijswoord door het woord waarnaar het verwijst. Klopt de zin dan nog en is hij duidelijk, dan is de verwijzing goed. Zo niet, dan moet je de zin aanpassen. Lees de tekst daarna nog één keer door, alleen om te letten op verwijswoorden en hun plaats.
Veelgestelde vragen
Wat is een verwijswoord?
Een verwijswoord is een woord dat verwijst naar iets wat eerder in de tekst genoemd is. Het kan een persoon, een zaak of een hele zin zijn. Voorbeelden zijn „hij”, „zij”, „het”, „deze” en „die”. Het woord waarnaar verwezen wordt, noem je het antecedent. Met verwijswoorden voorkom je herhaling, maar alleen als duidelijk is waarnaar je verwijst.
Wanneer gebruik je „die” en wanneer „dat” in een bijzin?
Dat hangt af van het woord waarnaar je verwijst. Bij een enkelvoudig „het”-woord gebruik je „dat”, zoals in het huis dat. Bij een „de”-woord of een meervoud gebruik je „die”, zoals in de man die en de boeken die. Na „alles”, „iets”, „niets” en „veel” schrijf je „wat”. Twijfel je over het geslacht van het woord, probeer dan de lidwoorden „de” en „het” uit.
Hoe ver mag een verwijswoord van zijn antecedent staan?
Daar bestaat geen vaste regel voor. Het verwijswoord staat bij voorkeur in dezelfde zin of in de zin erna. Hoe groter de afstand, hoe groter de kans op misverstand. Staan er tussen het verwijswoord en het antecedent andere personen of zaken, dan is de verwijzing al snel onduidelijk. Noem in dat geval het zelfstandig naamwoord opnieuw.