Naar de inhoud

Grammaticaal onjuiste zin herkennen: de beste controle

Een zin kan er goed uitzien en toch grammaticaal onjuist zijn. Vaak gaat het om een klein detail, zoals een verkeerde werkwoordsvorm of een werkwoord op de verkeerde plek. Op deze pagina leer je met een vaste controle te zien of een zin klopt, welke fouten het vaakst voorkomen en hoe je ze herstelt.

Door

Zo controleer je een zin stap voor stap

Een grammaticaal onjuiste zin herken je het snelst met een vaste volgorde van controles. Zo hoef je niet te vertrouwen op je gevoel alleen.

  • Stap 1: zoek de persoonsvorm. Zet de zin in een andere tijd. Het woord dat verandert is de persoonsvorm, zoals loop in Ik loop naar school, dat verandert in liep. Een volledige zin heeft er minstens één.
  • Stap 2: zoek het onderwerp. Stel de vraag „wie of wat” met de persoonsvorm erachter. Controleer of de persoonsvorm past bij het onderwerp, dus enkelvoud bij enkelvoud en meervoud bij meervoud.
  • Stap 3: kijk naar de woordvolgorde. In een hoofdzin staat de persoonsvorm op de tweede plaats. In een bijzin staan de werkwoorden aan het eind.
  • Stap 4: controleer lidwoorden en voornaamwoorden. Past de of het bij het zelfstandig naamwoord, en klopt de keuze tussen die en dat, of tussen zij en hun?
  • Stap 5: controleer de werkwoordsvorm. Let op de uitgang van het werkwoord, bijvoorbeeld de -t bij hij, zij en het.

Lees de zin daarna nog één keer hardop. Zinnen die niet goed lopen, vallen je op als je ze uitspreekt. Twijfel je over een regel, zoek hem dan op in Taaladvies of de Woordenlijst. Begin bij een lange zin met de persoonsvorm en het onderwerp, en bekijk daarna pas de rest. Zo houd je overzicht en vind je de fout sneller.

Voorbeelden van grammaticaal onjuiste zinnen

Hieronder zie je zeven veelvoorkomende fouten, steeds met de juiste zin en de reden.

  • De kinderen speelt buiten. Juist is De kinderen spelen buiten, omdat het onderwerp meervoud is en de persoonsvorm dus ook.
  • Morgen ik ga naar huis. Juist is Morgen ga ik naar huis, want in een hoofdzin staat de persoonsvorm op de tweede plaats.
  • Ik weet dat hij komt morgen. Juist is Ik weet dat hij morgen komt, omdat de persoonsvorm in een bijzin achteraan staat.
  • Hun hebben het gedaan. Juist is Zij hebben het gedaan, want „hun” kan in de standaardtaal geen onderwerp zijn.
  • Het meisje die naast me woont is aardig. Juist is Het meisje dat naast me woont is aardig, omdat „meisje” een het-woord is.
  • Hij word boos. Juist is Hij wordt boos, omdat het werkwoord bij „hij” de stam plus een -t krijgt.
  • Zij is groter als haar broer. Juist is Zij is groter dan haar broer, want bij een vergelijking van ongelijke dingen gebruik je „dan”.

Bij elk van deze fouten helpt een van de vijf stappen om de fout te vinden. Door de stappen te volgen, ga je steeds gerichter op zoek naar het probleem en hoef je niet de hele zin te herschrijven.

Waarom fouten ontstaan en hoe je ze voorkomt

Veel grammaticale fouten ontstaan niet uit onwetendheid, maar uit onoplettendheid. Je schrijft sneller dan je denkt en kijkt niet meer naar de zin als geheel. Vooral lange zinnen met tussengevoegde delen zijn gevoelig. In De kwaliteit van de producten zijn goed staat vlak voor de persoonsvorm het meervoud „producten”. Toch is het onderwerp „de kwaliteit”, en dat is enkelvoud. Het juiste werkwoord is dus is.

Een andere veelvoorkomende fout is dat een zin halverwege van opbouw verandert. De schrijver begint met één constructie en eindigt met een andere, waardoor de zin niet meer klopt. Dat gebeurt vaak bij lange zinnen en bij zinnen met veel tussenzinnen. Een derde oorzaak is haast. Wie snel typt, laat vaak een woord weg of zet een werkwoord in de verkeerde vorm.

Met deze gewoonten voorkom je de meeste fouten:

  • Schrijf kortere zinnen, zodat je het onderwerp en de persoonsvorm in het oog houdt.
  • Zoek na het schrijven bij elke zin eerst de persoonsvorm en dan het onderwerp.
  • Laat een spellingcontrole niet het laatste woord hebben, want die vangt lang niet alle fouten, zoals hun hebben of groter als.
  • Laat een tekst een dag liggen voordat je hem nakijkt.

Houd er rekening mee dat spreektaal soms afwijkt van de standaardtaal. Een zin die je zo zegt, hoeft in een geschreven tekst nog niet te kloppen.

Veelgestelde vragen

Wat is een zin zonder persoonsvorm?

Een volledige zin heeft altijd een persoonsvorm nodig. Ontbreekt die, dan is er meestal sprake van een zinsfragment, zoals Mijn broer die in Utrecht woont. In dit voorbeeld heeft alleen de bijzin een persoonsvorm en mist de hoofdzin die. In spreektaal en in koppen komen zulke fragmenten veel voor en vallen ze niet op. In een zakelijke of schooltekst kun je ze beter vermijden. Maak ze af door een persoonsvorm toe te voegen, zoals bij Mijn broer woont in Utrecht.

Is een spellingcontrole genoeg om een zin te controleren?

Nee, een spellingcontrole kijkt vooral naar losse woorden. Een zin als Hun hebben het gedaan bevat alleen bestaande woorden en kan daardoor ongemerkt blijven staan. Ook fouten in woordvolgorde of in de keuze tussen „dan” en „als” worden vaak niet gevonden. Gebruik de controle dus als hulpmiddel en lees de tekst daarna zelf nog eens goed na. Daarnaast kun je twijfelgevallen opzoeken in Taaladvies of de Woordenlijst.

Waarom klinkt een zin soms fout, maar is hij het niet?

Wat vreemd klinkt, is niet altijd fout. Soms is een zin ongebruikelijk, ouderwets of te formeel, terwijl hij grammaticaal klopt. Andersom kan een fout zin heel gewoon klinken, omdat je hem zo vaak hoort in de spreektaal. Je gevoel is daarom geen betrouwbare maatstaf. Controleer een zin liever aan de hand van de regels over persoonsvorm, onderwerp en woordvolgorde. Bij twijfel geeft een naslagwerk de doorslag.