Naar de inhoud

prakken

(eten) fijndrukken, meestal met een vork

prakken is meer dan één woord

prakken

werkwoord, zelfstandig naamwoord /ˈprɑkə(n)/

Betekenis

  1. (eten) fijndrukken, meestal met een vork
  2. tweede betekenisomschrijving
  3. enz.

Hoe spreek je prakken uit?

/ˈprɑkən/

Prakken bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.

De tekens in /ˈprɑkən/ en een woord waarin dezelfde klank staat.
Teken Klinkt als in
p pak
r rood
ɑ bad
k kat
ə de
n nek
ˈ de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint

werkwoord

  1. fijndrukken, meestal met een vork transitive

Vervoeging van prakken

prakkenhele werkwoord — prakteverleden tijd enkelvoud — praktenverleden tijd meervoud — gepraktvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik prak prakte
jij prakt prakte
hij, zij, het prakt prakte
wij prakken prakten
jullie prakken prakten
zij prakken prakten
Alle 88 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
- impersonal, passief
er is geprakt impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was geprakt impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd geprakt impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt geprakt impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal geprakt worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal geprakt zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou geprakt worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou geprakt zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
geprakt verleden tijd, deelwoord
geprakt te worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
geprakt te zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
geprakt te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
geprakt te zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
geprakt te zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
geprakt worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
geprakt zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
geprakt zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
geprakt zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
geprakt zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
had geprakt voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had geprakt voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had geprakt voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden geprakt voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden geprakt voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden geprakt voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt geprakt voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb geprakt voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben geprakt actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben geprakt voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben geprakt voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben geprakt voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt geprakt voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft geprakt voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft geprakt voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
is geprakt voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
prak gebiedende wijs
prakke aanvoegende wijs
prakkend onvoltooid, deelwoord
prakte verleden tijd
te hebben geprakt actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te prakken actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen prakken actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
waren geprakt voltooid, verleden tijd, derde persoon
was geprakt voltooid, verleden tijd, derde persoon
werd geprakt enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
werden geprakt enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon
worden geprakt enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
wordt geprakt enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon
zal geprakt hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal geprakt hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal geprakt hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal geprakt worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zal geprakt zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal prakken aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal prakken aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal prakken aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zijn geprakt voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zou geprakt hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou geprakt hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou geprakt hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou geprakt worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zou geprakt zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou prakken aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou prakken aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou prakken aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zouden geprakt hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden geprakt hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden geprakt hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden geprakt worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden geprakt zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden prakken aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden prakken aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden prakken aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zoudt geprakt hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt prakken aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zullen geprakt hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen geprakt hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen geprakt hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen geprakt worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen geprakt zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen prakken actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen prakken aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen prakken aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen prakken aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zult geprakt hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult prakken aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon

Woordvorm

  • meervoud van het zelfstandig naamwoord prak

Herkomst

In de betekenis van ‘eten met een vork fijnmaken’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1871

Woordfamilie van prakken

Woordvorm Relatie Afgeleid van
geprakt voltooid deelwoord prakken
geprakte woordvorm prakken
prakke aanvoegende wijs prakken
prakkend onvoltooid deelwoord prakken
prakkende woordvorm prakken
prakt aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon prakken
prakte verleden tijd prakken
prakten aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon prakken

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van prakken zijn vastgelegd.

Veelgestelde vragen over prakken

Hoe spreek ik prakken uit?
Zo spreek je prakken uit: /ˈprɑkə(n)/. Dat is de weergave in het internationaal fonetisch alfabet, waarin elke klank een eigen teken heeft. Het streepje ˈ markeert de klemtoon: die ligt op de eerste lettergreep.
Wat is de betekenis van prakken?
Prakken is een werkwoord. De betekenis is: (eten) fijndrukken, meestal met een vork. In totaal staan er 4 betekenissen.
Hoe vervoeg ik prakken?
Zo vervoeg je prakken zo: de tegenwoordige tijd is prak, de verleden tijd is prakte en het voltooid deelwoord is geprakt. Alle vormen staan in de tabel op deze pagina.

Rijmwoordenboek: wat rijmt er op prakken?

In dit woordenboek rijmen 46 woorden op -akken op prakken, zoals bakken, pakken en zakken. Ze klinken vanaf de beklemtoonde lettergreep hetzelfde, niet alleen op de laatste letters.

Rijmwoorden op prakken, uitspraak ˈprɑkən, de gangbaarste eerst.
Rijmwoord Lettergrepen
bakken 2
pakken 2
zakken 2
slabakken 3
hakken 2
smakken 2
tabakken 3
makken 2
verpakken 3
koekenbakken 4
gakken 2
vertakken 3
aangebakken 4
afvalbakken 4
ankerbakken 4
berkentakken 4
bosniakken 4
controlemaniakken 7
djakken 2
doedelzakken 4
eendenwakken 4
gebakken 3
hardgebakken 4
heesterslakken 4
ingebakken 4
kakkerlakken 4
kazakken 3
keverslakken 4
kozakken 3
krakken 2
krultabakken 4
ontlakken 3
opbergvakken 5
opbergzakken 5
pitjesbakken 4
polakken 3
pottenbakken 4
sjeimesbakken 4
sparrentakken 4
stekelslakken 4
Nog 6 rijmwoorden
takken 2
verzamelbakken 5
vlooienzakken 4
voorraadbakken 4
wereldvlakken 4
wormslakken 4

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord prakken is 14 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. P 3
  2. R 2
  3. A 1
  4. K 3
  5. K 3
  6. E 1
  7. N 1
  8. 14 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

prakken levert met Wordfeud minimaal 15 en maximaal 109 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. P 4
  2. R 2
  3. A 1
  4. K 3
  5. K 3
  6. E 1
  7. N 1
  8. 15 zonder bonus
  9. 109 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (P) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus, plus 40 punten omdat alle zeven stenen van het rek gebruikt worden.

prakken telt 7 letters, waarvan 6 verschillende, want één letter komt er dubbel in voor. Hoe meer verschillende letters een gok heeft, hoe meer woorden hij wegstreept.

Dit woordenboek kent 21.717 woorden van 7 letters. Dat is het speelveld waar een Woordle van deze lengte uit put.

Met de Woordle helper vul je de kleuren van je pogingen in en zie je welke woorden nog passen.

prakken in het kort

prakken is zowel werkwoord als zelfstandig naamwoord. Wat het is, hangt af van de zin. Hierboven vind je 4 betekenissen, met daarbij de bijbehorende woordsoort. Van prakken staan er 65 woordvormen vastgelegd; de tabel op deze pagina laat ze zien. Daarnaast hoort prakken bij een woordfamilie van 8 verwante woorden, bepaald aan de hand van vastgelegde woordvormrelaties.

prakken: (eten) fijndrukken, meestal met een vork
Deel prakken — standaardnederlands.nl