slabakken
werkwoord /sla'bɑkə(n)/Betekenis
- lui zijn, het werk versloffen
- (vooral in België) afnemen, verminderen
- (vooral in België) slecht gaan, niet goed lopen
Hoe spreek je slabakken uit?
/slaˈbɑkən/
Slabakken bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de tweede.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| s | sok |
| l | land |
| a | maan |
| b | bak |
| ɑ | bad |
| k | kat |
| ə | de |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
werkwoord
- afnemen, verminderen
- slecht gaan, niet goed lopen
Vervoeging van slabakken
slabakkenhele werkwoord — slabakteverleden tijd enkelvoud — slabaktenverleden tijd meervoud — geslabaktvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | slabak | slabakte |
| jij | slabakt | slabakte |
| hij, zij, het | slabakt | slabakte |
| wij | slabakken | slabakten |
| jullie | slabakken | slabakten |
| zij | slabakken | slabakten |
Alle 55 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ev. | gebiedende wijs |
| geslabakt | verleden tijd, deelwoord |
| geslabakt te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| geslabakt zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had geslabakt | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had geslabakt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had geslabakt | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden geslabakt | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden geslabakt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden geslabakt | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt geslabakt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb geslabakt | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben geslabakt | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben geslabakt | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben geslabakt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben geslabakt | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt geslabakt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft geslabakt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft geslabakt | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| slabak | gebiedende wijs |
| slabakke | aanvoegende wijs |
| slabakkend | onvoltooid, deelwoord |
| slabakte | verleden tijd |
| te hebben geslabakt | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te slabakken | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen slabakken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal geslabakt hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal geslabakt hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal geslabakt hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal slabakken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal slabakken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal slabakken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zou geslabakt hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou geslabakt hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou geslabakt hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou slabakken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou slabakken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou slabakken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden geslabakt hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden geslabakt hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden geslabakt hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden slabakken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden slabakken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden slabakken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt geslabakt hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt slabakken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen geslabakt hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen geslabakt hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen geslabakt hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen slabakken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen slabakken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen slabakken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen slabakken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult geslabakt hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult slabakken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
In de betekenis van ‘verslappen, niet flink werken’ voor het eerst aangetroffen in 1562
Woordfamilie van slabakken
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| geslabakt | voltooid deelwoord | slabakken |
| slabak | gebiedende wijs | slabakken |
| slabakke | aanvoegende wijs | slabakken |
| slabakkend | onvoltooid deelwoord | slabakken |
| slabakkende | woordvorm | slabakken |
| slabakt | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | slabakken |
| slabakte | verleden tijd | slabakken |
| slabakten | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | slabakken |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van slabakken zijn vastgelegd.