wijten
werkwoordBetekenis
- ~ aan: in negatieve zin toeschrijven aan
Vervoeging van wijten
wijtenhele werkwoord — weetverleden tijd enkelvoud — wetenverleden tijd meervoud — gewetenvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | wijt | weet |
| jij | wijt | weet |
| hij, zij, het | wijt | weet |
| wij | wijten | weten |
| jullie | wijten | weten |
| zij | wijten | weten |
Alle 55 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ev. | gebiedende wijs |
| geweten | verleden tijd, deelwoord |
| geweten te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| geweten zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had geweten | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had geweten | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had geweten | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden geweten | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden geweten | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden geweten | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt geweten | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb geweten | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben geweten | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben geweten | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben geweten | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben geweten | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt geweten | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft geweten | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft geweten | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te hebben geweten | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te wijten | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen wijten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| weet | verleden tijd |
| wijt | gebiedende wijs |
| wijte | aanvoegende wijs |
| wijtend | onvoltooid, deelwoord |
| zal geweten hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal geweten hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal geweten hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal wijten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal wijten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal wijten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zou geweten hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou geweten hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou geweten hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou wijten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou wijten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou wijten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden geweten hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden geweten hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden geweten hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden wijten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden wijten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden wijten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt geweten hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt wijten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen geweten hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen geweten hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen geweten hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen wijten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen wijten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen wijten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen wijten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult geweten hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult wijten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
In de betekenis van ‘ten laste leggen’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1240
Woordfamilie van wijten
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| wijt | gebiedende wijs | wijten |
| wijte | aanvoegende wijs | wijten |
| wijtend | onvoltooid deelwoord | wijten |
| wijtende | woordvorm | wijten |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van wijten zijn vastgelegd.