aanrekenen
werkwoord ˈanrekənə(n)Betekenis
- een bepaalde prijs vragen bij een aankoop
- verantwoordelijk houden voor, de schuld geven van
- opvatten als
Hoe spreek je aanrekenen uit?
/ˈanrekənən/
Aanrekenen bestaat uit vier lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| a | maan |
| n | nek |
| r | rood |
| e | veel |
| k | kat |
| ə | de |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Vervoeging van aanrekenen
aanrekenenhele werkwoord — rekende aanverleden tijd enkelvoud — rekenden aanverleden tijd meervoud — aangerekendvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | reken aan | rekende aan |
| jij | rekent aan | rekende aan |
| hij, zij, het | rekent aan | rekende aan |
| wij | rekenen aan | rekenden aan |
| jullie | rekenen aan | rekenden aan |
| zij | rekenen aan | rekenden aan |
Alle 145 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| aan te rekenen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| aan te zullen rekenen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| aan zal rekenen | bijzin, toekomende tijd |
| aan zou rekenen | bijzin, voorwaardelijk |
| aan zouden rekenen | bijzin, voorwaardelijk |
| aan zoudt rekenen | bijzin, voorwaardelijk |
| aan zullen rekenen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| aan zullen rekenen | bijzin, toekomende tijd |
| aan zult rekenen | bijzin, toekomende tijd |
| aangerekend | verleden tijd, deelwoord |
| aangerekend te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| aangerekend te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| aangerekend te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| aangerekend te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| aangerekend te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| aangerekend worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| aangerekend zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| aangerekend zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| aangerekend zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| aangerekend zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| aanreken | bijzin, tegenwoordige tijd |
| aanrekende | bijzin, verleden tijd |
| aanrekenden | bijzin, verleden tijd |
| aanrekenend | onvoltooid, deelwoord |
| aanrekent | bijzin, tegenwoordige tijd |
| ben aangerekend | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent aangerekend | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is aangerekend | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was aangerekend | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd aangerekend | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt aangerekend | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal aangerekend worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal aangerekend zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou aangerekend worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou aangerekend zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had aangerekend | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had aangerekend | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had aangerekend | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden aangerekend | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden aangerekend | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden aangerekend | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt aangerekend | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb aangerekend | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben aangerekend | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben aangerekend | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben aangerekend | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben aangerekend | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt aangerekend | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft aangerekend | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft aangerekend | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is aangerekend | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is aangerekend | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| reken aan | gebiedende wijs |
| rekende aan | verleden tijd |
| te hebben aangerekend | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen aanrekenen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart aangerekend | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren aangerekend | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren aangerekend | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren aangerekend | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was aangerekend | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was aangerekend | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was aangerekend | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd aangerekend | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd aangerekend | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd aangerekend | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden aangerekend | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden aangerekend | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden aangerekend | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt aangerekend | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word aangerekend | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden aangerekend | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden aangerekend | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden aangerekend | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt aangerekend | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt aangerekend | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal aangerekend hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal aangerekend hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal aangerekend hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal aangerekend worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal aangerekend worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal aangerekend zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal aangerekend zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal aanrekenen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal aanrekenen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal aanrekenen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal aanrekenen | bijzin, toekomende tijd |
| zijn aangerekend | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn aangerekend | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn aangerekend | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt aangerekend | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou aangerekend hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou aangerekend hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou aangerekend hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou aangerekend worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou aangerekend worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou aangerekend worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou aangerekend zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou aangerekend zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou aangerekend zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou aanrekenen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou aanrekenen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou aanrekenen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou aanrekenen | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) aanrekenen aan zou(dt) rekenen | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden aangerekend hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden aangerekend hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden aangerekend hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden aangerekend worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden aangerekend worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden aangerekend worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden aangerekend zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden aangerekend zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden aangerekend zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden aanrekenen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden aanrekenen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden aanrekenen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden aanrekenen | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt aangerekend hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt aangerekend worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt aangerekend zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt aanrekenen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt aanrekenen | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen aangerekend hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen aangerekend hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen aangerekend hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen aangerekend worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen aangerekend worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen aangerekend worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen aangerekend zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen aangerekend zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen aangerekend zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen aanrekenen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen aanrekenen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen aanrekenen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen aanrekenen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen aanrekenen | bijzin, toekomende tijd |
| zult aangerekend hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Herkomst
samenstelling van aan vz en rekenen ww
Woordfamilie van aanrekenen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| aangerekend | voltooid deelwoord | aanrekenen |
| aangerekende | woordvorm | aanrekenen |
| aanreken | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | aanrekenen |
| aanrekende | subordinate-clause, verleden tijd | aanrekenen |
| aanrekenden | subordinate-clause, verleden tijd | aanrekenen |
| aanrekene | with-subordinate-clause | aanrekenen |
| aanrekenend | onvoltooid deelwoord | aanrekenen |
| aanrekenende | woordvorm | aanrekenen |
| aanrekent | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | aanrekenen |
| reken aan | gebiedende wijs | aanrekenen |
| rekende aan | verleden tijd | aanrekenen |
| rekenden aan | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | aanrekenen |
| rekene aan | woordvorm | aanrekenen |
| rekenen aan | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | aanrekenen |
| rekent aan | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | aanrekenen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van aanrekenen zijn vastgelegd.