Naar de inhoud

verwijten

verantwoordelijk gesteld worden voor een gemaakte fout

verwijten is meer dan één woord

verwijten

werkwoord, zelfstandig naamwoord

Betekenis

  1. verantwoordelijk gesteld worden voor een gemaakte fout

Vervoeging van verwijten

verwijtenhele werkwoord — verweetverleden tijd enkelvoud — verwetenverleden tijd meervoud — verwetenvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik verwijt verweet
jij verwijt verweet
hij, zij, het verwijt verweet
wij verwijten verweten
jullie verwijten verweten
zij verwijten verweten
Alle 187 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
- impersonal, passief
ben verweten voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent verweten voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
er is verweten impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was verweten impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd verweten impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt verweten impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal verweten worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal verweten zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou verweten worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou verweten zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
had verweten voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had verweten voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had verweten voltooid, verleden tijd, derde persoon
had verweten gekregen voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had verweten gekregen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had verweten gekregen voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden verweten voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden verweten voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden verweten voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden verweten gekregen voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden verweten gekregen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden verweten gekregen voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt verweten voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadt verweten gekregen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb verweten voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
heb verweten gekregen voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben verweten actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben verweten voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben verweten voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben verweten voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebben verweten gekregen voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben verweten gekregen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben verweten gekregen voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt verweten voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebt verweten gekregen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft verweten voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft verweten voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
heeft verweten gekregen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft verweten gekregen voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
is verweten voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is verweten voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
kreeg verweten enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon
kreeg verweten enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
kreeg verweten enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
kreegt verweten enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
kregen verweten enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon
kregen verweten enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon
kregen verweten enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon
krijg verweten enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
krijgen verweten enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon
krijgen verweten enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon
krijgen verweten enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
krijgt verweten enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon
krijgt verweten enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
te hebben verweten actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te verwijten actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen verwijten actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
verweet verleden tijd
verweten verleden tijd, deelwoord
verweten gekregen hebben infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
verweten gekregen te hebben infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
verweten gekregen te zullen hebben infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
verweten gekregen zullen hebben infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
verweten krijgen infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
verweten te krijgen infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
verweten te worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
verweten te zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
verweten te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
verweten te zullen krijgen infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
verweten te zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
verweten te zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
verweten worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
verweten zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
verweten zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
verweten zullen krijgen infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
verweten zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
verweten zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
verwijt gebiedende wijs
verwijte aanvoegende wijs
verwijtend onvoltooid, deelwoord
waart verweten voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren verweten voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren verweten voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren verweten voltooid, verleden tijd, derde persoon
was verweten voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was verweten voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was verweten voltooid, verleden tijd, derde persoon
werd verweten enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon
werd verweten enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
werd verweten enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
werden verweten enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon
werden verweten enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon
werden verweten enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon
werdt verweten enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
word verweten enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
worden verweten enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon
worden verweten enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon
worden verweten enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
wordt verweten enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon
wordt verweten enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zal verweten gekregen hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal verweten gekregen hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal verweten hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal verweten hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal verweten hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal verweten krijgen enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal verweten krijgen enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zal verweten worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal verweten worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zal verweten zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal verweten zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal verwijten aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal verwijten aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal verwijten aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zijn verweten voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn verweten voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn verweten voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt verweten voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou verweten gekregen hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou verweten gekregen hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou verweten gekregen hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou verweten hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou verweten hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou verweten hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou verweten krijgen enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou verweten krijgen enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zou verweten krijgen enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou verweten worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou verweten worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zou verweten worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou verweten zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou verweten zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou verweten zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou verwijten aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou verwijten aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou verwijten aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zouden verweten gekregen hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden verweten gekregen hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon

Woordvorm

  • meervoud van het zelfstandig naamwoord verwijt

Herkomst

afgeleid van wijten met het voorvoegsel ver-.

Woordfamilie van verwijten

Woordvorm Relatie Afgeleid van
verweet verleden tijd verwijten
verweten voltooid deelwoord verwijten
verwijte aanvoegende wijs verwijten

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van verwijten zijn vastgelegd.

Veelgestelde vragen over verwijten

Wat betekent verwijten?
Verwijten is een werkwoord. Het woord betekent: verantwoordelijk gesteld worden voor een gemaakte fout.
Hoe vervoeg je verwijten?
Je vervoegt verwijten als volgt: de tegenwoordige tijd is verwijt, de verleden tijd is verweet en het voltooid deelwoord is verweten. De volledige vervoeging staat in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord verwijten is 21 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. V 4
  2. E 1
  3. R 2
  4. W 5
  5. I 1
  6. J 4
  7. T 2
  8. E 1
  9. N 1
  10. 21 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

verwijten levert met Wordfeud minimaal 22 en maximaal 96 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. V 4
  2. E 1
  3. R 2
  4. W 5
  5. I 2
  6. J 4
  7. T 2
  8. E 1
  9. N 1
  10. 22 zonder bonus
  11. 96 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (W) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

verwijten in het kort

verwijten is zowel werkwoord als zelfstandig naamwoord. Welke van de twee het is, hangt af van de zin. Van verwijten zijn 106 vormen vastgelegd; die staan in de tabel op deze pagina. Verder hoort verwijten bij een woordfamilie van 3 woorden, gebaseerd op vastgelegde woordvormrelaties.

verwijten: verantwoordelijk gesteld worden voor een gemaakte fout
Deel verwijten — standaardnederlands.nl