verwijten
werkwoord, zelfstandig naamwoordBetekenis
- verantwoordelijk gesteld worden voor een gemaakte fout
Vervoeging van verwijten
verwijtenhele werkwoord — verweetverleden tijd enkelvoud — verwetenverleden tijd meervoud — verwetenvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | verwijt | verweet |
| jij | verwijt | verweet |
| hij, zij, het | verwijt | verweet |
| wij | verwijten | verweten |
| jullie | verwijten | verweten |
| zij | verwijten | verweten |
Alle 187 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben verweten | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent verweten | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is verweten | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was verweten | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd verweten | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt verweten | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal verweten worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal verweten zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou verweten worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou verweten zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had verweten | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had verweten | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had verweten | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| had verweten gekregen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had verweten gekregen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had verweten gekregen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden verweten | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden verweten | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden verweten | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden verweten gekregen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden verweten gekregen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden verweten gekregen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt verweten | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadt verweten gekregen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb verweten | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| heb verweten gekregen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben verweten | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben verweten | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben verweten | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben verweten | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebben verweten gekregen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben verweten gekregen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben verweten gekregen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt verweten | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebt verweten gekregen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft verweten | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft verweten | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| heeft verweten gekregen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft verweten gekregen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is verweten | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is verweten | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| kreeg verweten | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| kreeg verweten | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| kreeg verweten | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| kreegt verweten | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| kregen verweten | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| kregen verweten | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| kregen verweten | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| krijg verweten | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| krijgen verweten | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| krijgen verweten | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| krijgen verweten | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| krijgt verweten | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| krijgt verweten | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| te hebben verweten | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te verwijten | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen verwijten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| verweet | verleden tijd |
| verweten | verleden tijd, deelwoord |
| verweten gekregen hebben | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| verweten gekregen te hebben | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| verweten gekregen te zullen hebben | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| verweten gekregen zullen hebben | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| verweten krijgen | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| verweten te krijgen | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| verweten te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| verweten te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| verweten te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| verweten te zullen krijgen | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| verweten te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| verweten te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| verweten worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| verweten zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| verweten zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| verweten zullen krijgen | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| verweten zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| verweten zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| verwijt | gebiedende wijs |
| verwijte | aanvoegende wijs |
| verwijtend | onvoltooid, deelwoord |
| waart verweten | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren verweten | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren verweten | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren verweten | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was verweten | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was verweten | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was verweten | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd verweten | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd verweten | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd verweten | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden verweten | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden verweten | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden verweten | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt verweten | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word verweten | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden verweten | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden verweten | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden verweten | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt verweten | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt verweten | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal verweten gekregen hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal verweten gekregen hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal verweten hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal verweten hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal verweten hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal verweten krijgen | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal verweten krijgen | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal verweten worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal verweten worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal verweten zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal verweten zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal verwijten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal verwijten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal verwijten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zijn verweten | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn verweten | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn verweten | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt verweten | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou verweten gekregen hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou verweten gekregen hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou verweten gekregen hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou verweten hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou verweten hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou verweten hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou verweten krijgen | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou verweten krijgen | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou verweten krijgen | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou verweten worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou verweten worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou verweten worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou verweten zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou verweten zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou verweten zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou verwijten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou verwijten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou verwijten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden verweten gekregen hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden verweten gekregen hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
Woordvorm
- meervoud van het zelfstandig naamwoord verwijt
Herkomst
afgeleid van wijten met het voorvoegsel ver-.
Woordfamilie van verwijten
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| verweet | verleden tijd | verwijten |
| verweten | voltooid deelwoord | verwijten |
| verwijte | aanvoegende wijs | verwijten |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van verwijten zijn vastgelegd.