Naar de inhoud

wapenen

voor de strijd uitrusten

wapenen is meer dan één woord

wapenen

werkwoord, zelfstandig naamwoord

Betekenis

  1. voor de strijd uitrusten
  2. uitrusten met iets, versterken
  3. zich ~ met: zich van bescherming of wapens voorzien
  4. zich ~ tegen: zich versterken ter bescherming tegen aanvallen, zich voorbereiden op aanvallen

Vervoeging van wapenen

wapenenhele werkwoord — wapendeverleden tijd enkelvoud — wapendenverleden tijd meervoud — gewapendvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik wapen wapende
jij wapent wapende
hij, zij, het wapent wapende
wij wapenen wapenden
jullie wapenen wapenden
zij wapenen wapenden
Alle 160 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
- impersonal, passief
ben gewapend voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent gewapend voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
er is gewapend impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was gewapend impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd gewapend impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt gewapend impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal gewapend worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal gewapend zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou gewapend worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou gewapend zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
gewapend verleden tijd, deelwoord
gewapend te worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
gewapend te zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
gewapend te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
gewapend te zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
gewapend te zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
gewapend worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
gewapend zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
gewapend zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
gewapend zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
gewapend zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
had gewapend voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had gewapend voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had gewapend voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden gewapend voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden gewapend voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden gewapend voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt gewapend voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb gewapend voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben gewapend actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben gewapend voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben gewapend voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben gewapend voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt gewapend voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft gewapend voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft gewapend voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
is gewapend voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is gewapend voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
te hebben gewapend actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te wapenen actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen wapenen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
waart gewapend voltooid, verleden tijd, tweede persoon
wapen gebiedende wijs
wapen me eerste persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud
wapen u/je , wapent je gebiedende wijs
wapende verleden tijd
wapende je tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud
wapende me eerste persoon, verleden tijd, enkelvoud
wapende u tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud
wapende u tweede persoon, verleden tijd, meervoud
wapende zich derde persoon, verleden tijd, enkelvoud
wapende zich/u tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud
wapende zich/u tweede persoon, verleden tijd, meervoud
wapenden je tweede persoon, verleden tijd, meervoud
wapenden ons eerste persoon, verleden tijd, meervoud
wapenden zich derde persoon, verleden tijd, meervoud
wapene aanvoegende wijs
wapene zich aanvoegende wijs
wapenen je tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud
wapenen ons eerste persoon, tegenwoordige tijd, meervoud
wapenen zich derde persoon, tegenwoordige tijd, meervoud
wapenend onvoltooid, deelwoord
wapent je tweede persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud
wapent u tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud
wapent u tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud
wapent zich derde persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud
wapent zich/u tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud
wapent zich/u tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud
waren gewapend voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren gewapend voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren gewapend voltooid, verleden tijd, derde persoon
was gewapend voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was gewapend voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was gewapend voltooid, verleden tijd, derde persoon
werd gewapend enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon
werd gewapend enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
werd gewapend enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
werden gewapend enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon
werden gewapend enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon
werden gewapend enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon
werdt gewapend enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
word gewapend enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
worden gewapend enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon
worden gewapend enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon
worden gewapend enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
wordt gewapend enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon
wordt gewapend enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zal gewapend hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal gewapend hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal gewapend hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal gewapend worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal gewapend worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zal gewapend zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal gewapend zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal me wapenen eerste persoon, toekomende tijd, enkelvoud
zal wapenen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal wapenen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal wapenen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal zich wapenen derde persoon, toekomende tijd, enkelvoud
zal, zult je wapenen tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud
zich gewapend hebben verleden tijd
zich wapenend onvoltooid, deelwoord
zijn gewapend voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn gewapend voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn gewapend voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt gewapend voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou gewapend hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou gewapend hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou gewapend hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou gewapend worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou gewapend worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zou gewapend worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou gewapend zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou gewapend zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou gewapend zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou wapenen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou wapenen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou wapenen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zouden gewapend hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden gewapend hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden gewapend hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden gewapend worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden gewapend worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden gewapend worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden gewapend zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden gewapend zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden gewapend zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden wapenen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden wapenen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden wapenen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zoudt gewapend hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt gewapend worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt gewapend zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt wapenen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zullen gewapend hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen gewapend hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen gewapend hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen gewapend worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon

Woordvorm

  • meervoud van het zelfstandig naamwoord wapen

Herkomst

Afgeleid van wapen.

Woordfamilie van wapenen

Woordvorm Relatie Afgeleid van
wapende verleden tijd wapenen
wapenden aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon wapenen
wapene aanvoegende wijs wapenen
wapenend onvoltooid deelwoord wapenen
wapenende woordvorm wapenen
wapent aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon wapenen

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van wapenen zijn vastgelegd.

Afleidingen en samenstellingen

Veelgestelde vragen over wapenen

Wat betekent wapenen?
Wapenen is een werkwoord. Het woord betekent: voor de strijd uitrusten. Deze pagina beschrijft 4 betekenissen op deze pagina.
Hoe vervoeg je wapenen?
Je vervoegt wapenen als volgt: de tegenwoordige tijd is wapen, de verleden tijd is wapende en het voltooid deelwoord is gewapend. De volledige vervoeging staat in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord wapenen is 13 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. W 5
  2. A 1
  3. P 3
  4. E 1
  5. N 1
  6. E 1
  7. N 1
  8. 13 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

wapenen levert met Wordfeud minimaal 14 en maximaal 112 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. W 5
  2. A 1
  3. P 4
  4. E 1
  5. N 1
  6. E 1
  7. N 1
  8. 14 zonder bonus
  9. 112 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (W) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus, plus 40 punten omdat alle zeven stenen van het rek gebruikt worden.

wapenen telt 7 letters, waarvan 5 verschillende, want 2 letters komen er dubbel in voor. Hoe meer verschillende letters een gok heeft, hoe meer woorden hij wegstreept.

Dit woordenboek kent 21.717 woorden van 7 letters. Dat is het speelveld waar een Woordle van deze lengte uit put.

Met de Woordle helper vul je de kleuren van je pogingen in en zie je welke woorden nog passen.

wapenen in het kort

wapenen is zowel werkwoord als zelfstandig naamwoord. Welke van de twee het is, hangt af van de zin. Hierboven staan 4 omschrijvingen, elk met de woordsoort waar hij bij hoort. Van wapenen zijn 103 vormen vastgelegd; die staan in de tabel op deze pagina. Verder hoort wapenen bij een woordfamilie van 6 woorden, gebaseerd op vastgelegde woordvormrelaties.

wapenen: voor de strijd uitrusten
Deel wapenen — standaardnederlands.nl