wapenen
werkwoord, zelfstandig naamwoordBetekenis
- voor de strijd uitrusten
- uitrusten met iets, versterken
- zich ~ met: zich van bescherming of wapens voorzien
- zich ~ tegen: zich versterken ter bescherming tegen aanvallen, zich voorbereiden op aanvallen
Vervoeging van wapenen
wapenenhele werkwoord — wapendeverleden tijd enkelvoud — wapendenverleden tijd meervoud — gewapendvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | wapen | wapende |
| jij | wapent | wapende |
| hij, zij, het | wapent | wapende |
| wij | wapenen | wapenden |
| jullie | wapenen | wapenden |
| zij | wapenen | wapenden |
Alle 160 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben gewapend | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent gewapend | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is gewapend | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was gewapend | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd gewapend | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt gewapend | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal gewapend worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal gewapend zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou gewapend worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou gewapend zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| gewapend | verleden tijd, deelwoord |
| gewapend te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| gewapend te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| gewapend te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gewapend te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gewapend te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gewapend worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| gewapend zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| gewapend zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| gewapend zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| gewapend zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gewapend | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gewapend | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gewapend | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gewapend | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gewapend | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gewapend | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gewapend | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gewapend | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gewapend | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gewapend | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gewapend | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gewapend | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gewapend | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gewapend | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gewapend | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is gewapend | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is gewapend | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te hebben gewapend | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te wapenen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen wapenen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart gewapend | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| wapen | gebiedende wijs |
| wapen me | eerste persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud |
| wapen u/je , wapent je | gebiedende wijs |
| wapende | verleden tijd |
| wapende je | tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| wapende me | eerste persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| wapende u | tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| wapende u | tweede persoon, verleden tijd, meervoud |
| wapende zich | derde persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| wapende zich/u | tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| wapende zich/u | tweede persoon, verleden tijd, meervoud |
| wapenden je | tweede persoon, verleden tijd, meervoud |
| wapenden ons | eerste persoon, verleden tijd, meervoud |
| wapenden zich | derde persoon, verleden tijd, meervoud |
| wapene | aanvoegende wijs |
| wapene zich | aanvoegende wijs |
| wapenen je | tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| wapenen ons | eerste persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| wapenen zich | derde persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| wapenend | onvoltooid, deelwoord |
| wapent je | tweede persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud |
| wapent u | tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| wapent u | tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| wapent zich | derde persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud |
| wapent zich/u | tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| wapent zich/u | tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| waren gewapend | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren gewapend | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren gewapend | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was gewapend | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was gewapend | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was gewapend | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd gewapend | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd gewapend | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd gewapend | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden gewapend | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden gewapend | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden gewapend | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt gewapend | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word gewapend | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden gewapend | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden gewapend | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden gewapend | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt gewapend | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt gewapend | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal gewapend hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gewapend hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gewapend hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal gewapend worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gewapend worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal gewapend zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gewapend zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal me wapenen | eerste persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| zal wapenen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal wapenen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal wapenen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal zich wapenen | derde persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| zal, zult je wapenen | tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| zich gewapend hebben | verleden tijd |
| zich wapenend | onvoltooid, deelwoord |
| zijn gewapend | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn gewapend | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn gewapend | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt gewapend | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou gewapend hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gewapend hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gewapend hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou gewapend worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gewapend worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou gewapend worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gewapend zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gewapend zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gewapend zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou wapenen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou wapenen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou wapenen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden gewapend hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gewapend hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gewapend hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden gewapend worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden gewapend worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden gewapend worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden gewapend zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gewapend zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gewapend zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden wapenen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden wapenen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden wapenen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt gewapend hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt gewapend worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt gewapend zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt wapenen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen gewapend hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gewapend hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gewapend hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen gewapend worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
Woordvorm
- meervoud van het zelfstandig naamwoord wapen
Herkomst
Afgeleid van wapen.
Woordfamilie van wapenen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| wapende | verleden tijd | wapenen |
| wapenden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | wapenen |
| wapene | aanvoegende wijs | wapenen |
| wapenend | onvoltooid deelwoord | wapenen |
| wapenende | woordvorm | wapenen |
| wapent | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | wapenen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van wapenen zijn vastgelegd.