voorspel
zelfstandig naamwoord, werkwoord ˈvorspɛlBetekenis
- een voorbereidende inleiding op een geschiedenis, verhaal, toneel- of muziekstuk
- het ter beoordeling geheel of gedeeltelijk uitvoeren van een muziekstuk
- het liefdesspel
Hoe spreek je voorspel uit?
/ˈvorspɛl/
Voorspel bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| v | vis |
| o | boot |
| r | rood |
| s | sok |
| p | pak |
| ɛ | bed |
| l | land |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
zelfstandig naamwoord — neuter
- voorbereidende inleiding op een geschiedenis, verhaal, toneel- of muziekstuk
- complete of gedeeltelijke uitvoering van een muziekstuk ter beoordeling
- liefdesspel als opmaat voor seks
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| voorspelen | meervoud |
| voorspelletje | verkleinwoord, enkelvoud |
| voorspelletjes | verkleinwoord, meervoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van voorspellen
Vervoeging van voorspel
voorspelhele werkwoord
Alle 1 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| vóórspel | canonical |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van voorspellen
- gebiedende wijs van voorspellen
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van voorspellen
Vervoeging van voorspel
voorspelhele werkwoord
Alle 1 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| voorspél | canonical |
Herkomst
zn: samenstelling van voor bw en spel zn
Woordfamilie van voorspel
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| voorspelletje | verkleinwoord | voorspel |
| voorspelletjes | verkleinwoord meervoud | voorspel |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van voorspel zijn vastgelegd.