voorzingen
werkwoordBetekenis
- voorgaan met zingen
- als voorbeeld zingen
Vervoeging van voorzingen
voorzingenhele werkwoord — zong voorverleden tijd enkelvoud — zongen voorverleden tijd meervoud — voorgezongenvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | zing voor | zong voor |
| jij | zingt voor | zong voor |
| hij, zij, het | zingt voor | zong voor |
| wij | zingen voor | zongen voor |
| jullie | zingen voor | zongen voor |
| zij | zingen voor | zongen voor |
Alle 82 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| er is voorgezongen | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was voorgezongen | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd voorgezongen | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt voorgezongen | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal voorgezongen worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal voorgezongen zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou voorgezongen worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou voorgezongen zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had voorgezongen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had voorgezongen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had voorgezongen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden voorgezongen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden voorgezongen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden voorgezongen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt voorgezongen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb voorgezongen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben voorgezongen | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben voorgezongen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben voorgezongen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben voorgezongen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt voorgezongen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft voorgezongen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft voorgezongen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te hebben voorgezongen | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen voorzingen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| voor te zingen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| voor te zullen zingen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| voor zal zingen | bijzin, toekomende tijd |
| voor zou zingen | bijzin, voorwaardelijk |
| voor zouden zingen | bijzin, voorwaardelijk |
| voor zoudt zingen | bijzin, voorwaardelijk |
| voor zullen zingen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| voor zullen zingen | bijzin, toekomende tijd |
| voor zult zingen | bijzin, toekomende tijd |
| voorgezongen | verleden tijd, deelwoord |
| voorgezongen te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| voorgezongen zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| voorzing | bijzin, tegenwoordige tijd |
| voorzingend | onvoltooid, deelwoord |
| voorzingt | bijzin, tegenwoordige tijd |
| voorzong | bijzin, verleden tijd |
| voorzongen | bijzin, verleden tijd |
| zal voorgezongen hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal voorgezongen hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal voorgezongen hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal voorzingen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal voorzingen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal voorzingen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal voorzingen | bijzin, toekomende tijd |
| zing voor | gebiedende wijs |
| zong voor | verleden tijd |
| zou voorgezongen hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou voorgezongen hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou voorgezongen hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou voorzingen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou voorzingen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou voorzingen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou voorzingen | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) voorzingen voor zou(dt) zingen | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden voorgezongen hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden voorgezongen hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden voorgezongen hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden voorzingen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden voorzingen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden voorzingen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden voorzingen | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt voorgezongen hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt voorzingen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt voorzingen | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen voorgezongen hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen voorgezongen hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen voorgezongen hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen voorzingen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen voorzingen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen voorzingen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen voorzingen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen voorzingen | bijzin, toekomende tijd |
| zult voorgezongen hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult voorzingen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult voorzingen | bijzin, toekomende tijd |
| zult/zal voorzingen voor zult/zal zingen | bijzin, toekomende tijd |
Herkomst
samenstelling van voor en zingen
Woordfamilie van voorzingen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| voorgezongen | voltooid deelwoord | voorzingen |
| voorzing | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | voorzingen |
| voorzinge | with-subordinate-clause | voorzingen |
| voorzingend | onvoltooid deelwoord | voorzingen |
| voorzingende | woordvorm | voorzingen |
| voorzingt | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | voorzingen |
| voorzong | subordinate-clause, verleden tijd | voorzingen |
| voorzongen | subordinate-clause, verleden tijd | voorzingen |
| zing voor | gebiedende wijs | voorzingen |
| zinge voor | woordvorm | voorzingen |
| zingen voor | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | voorzingen |
| zingt voor | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | voorzingen |
| zong voor | verleden tijd | voorzingen |
| zongen voor | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | voorzingen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van voorzingen zijn vastgelegd.