Naar de inhoud

voorspelen

ten aanhoren van anderen een muziekstuk spelen

voorspelen is meer dan één woord

voorspelen

werkwoord, zelfstandig naamwoord

Betekenis

  1. ten aanhoren van anderen een muziekstuk spelen

Vervoeging van voorspelen

voorspelenhele werkwoord — speelde voorverleden tijd enkelvoud — speelden voorverleden tijd meervoud — voorgespeeldvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik speel voor speelde voor
jij speelt voor speelde voor
hij, zij, het speelt voor speelde voor
wij spelen voor speelden voor
jullie spelen voor speelden voor
zij spelen voor speelden voor
Alle 145 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
- impersonal, passief
ben voorgespeeld voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent voorgespeeld voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
er is voorgespeeld impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was voorgespeeld impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd voorgespeeld impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt voorgespeeld impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal voorgespeeld worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal voorgespeeld zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou voorgespeeld worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou voorgespeeld zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
had voorgespeeld voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had voorgespeeld voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had voorgespeeld voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden voorgespeeld voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden voorgespeeld voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden voorgespeeld voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt voorgespeeld voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb voorgespeeld voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben voorgespeeld actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben voorgespeeld voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben voorgespeeld voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben voorgespeeld voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt voorgespeeld voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft voorgespeeld voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft voorgespeeld voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
is voorgespeeld voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is voorgespeeld voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
speel voor gebiedende wijs
speelde voor verleden tijd
te hebben voorgespeeld actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen voorspelen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
voor te spelen actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
voor te zullen spelen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
voor zal spelen bijzin, toekomende tijd
voor zou spelen bijzin, voorwaardelijk
voor zouden spelen bijzin, voorwaardelijk
voor zoudt spelen bijzin, voorwaardelijk
voor zullen spelen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
voor zullen spelen bijzin, toekomende tijd
voor zult spelen bijzin, toekomende tijd
voorgespeeld verleden tijd, deelwoord
voorgespeeld te worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
voorgespeeld te zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
voorgespeeld te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
voorgespeeld te zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
voorgespeeld te zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
voorgespeeld worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
voorgespeeld zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
voorgespeeld zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
voorgespeeld zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
voorgespeeld zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
voorspeel bijzin, tegenwoordige tijd
voorspeelde bijzin, verleden tijd
voorspeelden bijzin, verleden tijd
voorspeelt bijzin, tegenwoordige tijd
voorspelend onvoltooid, deelwoord
waart voorgespeeld voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren voorgespeeld voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren voorgespeeld voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren voorgespeeld voltooid, verleden tijd, derde persoon
was voorgespeeld voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was voorgespeeld voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was voorgespeeld voltooid, verleden tijd, derde persoon
werd voorgespeeld enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon
werd voorgespeeld enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
werd voorgespeeld enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
werden voorgespeeld enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon
werden voorgespeeld enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon
werden voorgespeeld enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon
werdt voorgespeeld enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
word voorgespeeld enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
worden voorgespeeld enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon
worden voorgespeeld enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon
worden voorgespeeld enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
wordt voorgespeeld enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon
wordt voorgespeeld enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zal voorgespeeld hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal voorgespeeld hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal voorgespeeld hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal voorgespeeld worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal voorgespeeld worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zal voorgespeeld zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal voorgespeeld zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal voorspelen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal voorspelen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal voorspelen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal voorspelen bijzin, toekomende tijd
zijn voorgespeeld voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn voorgespeeld voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn voorgespeeld voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt voorgespeeld voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou voorgespeeld hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou voorgespeeld hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou voorgespeeld hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou voorgespeeld worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou voorgespeeld worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zou voorgespeeld worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou voorgespeeld zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou voorgespeeld zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou voorgespeeld zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou voorspelen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou voorspelen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou voorspelen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou voorspelen bijzin, voorwaardelijk
zou(dt) voorspelen voor zou(dt) spelen bijzin, voorwaardelijk
zouden voorgespeeld hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden voorgespeeld hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden voorgespeeld hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden voorgespeeld worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden voorgespeeld worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden voorgespeeld worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden voorgespeeld zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden voorgespeeld zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden voorgespeeld zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden voorspelen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden voorspelen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden voorspelen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden voorspelen bijzin, voorwaardelijk
zoudt voorgespeeld hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt voorgespeeld worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt voorgespeeld zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt voorspelen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt voorspelen bijzin, voorwaardelijk
zullen voorgespeeld hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen voorgespeeld hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen voorgespeeld hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen voorgespeeld worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen voorgespeeld worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen voorgespeeld worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen voorgespeeld zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen voorgespeeld zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen voorgespeeld zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen voorspelen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen voorspelen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen voorspelen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen voorspelen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen voorspelen bijzin, toekomende tijd
zult voorgespeeld hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon

Woordvorm

  • meervoud van het zelfstandig naamwoord voorspel

Herkomst

samenstelling van voor bw en spelen ww

Woordfamilie van voorspelen

Woordvorm Relatie Afgeleid van
speel voor gebiedende wijs voorspelen
speelde voor verleden tijd voorspelen
speelden voor aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon voorspelen
speelt voor aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon voorspelen
spele voor woordvorm voorspelen
spelen voor aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon voorspelen
voorgespeeld voltooid deelwoord voorspelen
voorgespeelde woordvorm voorspelen
voorspeel subordinate-clause, tegenwoordige tijd voorspelen
voorspeelde subordinate-clause, verleden tijd voorspelen
voorspeelden subordinate-clause, verleden tijd voorspelen
voorspeelt subordinate-clause, tegenwoordige tijd voorspelen
voorspele with-subordinate-clause voorspelen
voorspelend onvoltooid deelwoord voorspelen
voorspelende woordvorm voorspelen

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van voorspelen zijn vastgelegd.

Veelgestelde vragen over voorspelen

Wat betekent voorspelen?
Voorspelen is een werkwoord. Het woord betekent: ten aanhoren van anderen een muziekstuk spelen.
Hoe vervoeg je voorspelen?
Je vervoegt voorspelen als volgt: het voltooid deelwoord is voorgespeeld. De volledige vervoeging staat in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord voorspelen is 19 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. V 4
  2. O 1
  3. O 1
  4. R 2
  5. S 2
  6. P 3
  7. E 1
  8. L 3
  9. E 1
  10. N 1
  11. 19 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

voorspelen levert met Wordfeud minimaal 20 en maximaal 84 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. V 4
  2. O 1
  3. O 1
  4. R 2
  5. S 2
  6. P 4
  7. E 1
  8. L 3
  9. E 1
  10. N 1
  11. 20 zonder bonus
  12. 84 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (V) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

voorspelen in het kort

voorspelen is zowel werkwoord als zelfstandig naamwoord. Welke van de twee het is, hangt af van de zin. Van voorspelen zijn 88 vormen vastgelegd; die staan in de tabel op deze pagina. Verder hoort voorspelen bij een woordfamilie van 15 woorden, gebaseerd op vastgelegde woordvormrelaties.

voorspelen: ten aanhoren van anderen een muziekstuk spelen
Deel voorspelen — standaardnederlands.nl