voorspelen
werkwoord, zelfstandig naamwoordBetekenis
- ten aanhoren van anderen een muziekstuk spelen
Vervoeging van voorspelen
voorspelenhele werkwoord — speelde voorverleden tijd enkelvoud — speelden voorverleden tijd meervoud — voorgespeeldvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | speel voor | speelde voor |
| jij | speelt voor | speelde voor |
| hij, zij, het | speelt voor | speelde voor |
| wij | spelen voor | speelden voor |
| jullie | spelen voor | speelden voor |
| zij | spelen voor | speelden voor |
Alle 145 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben voorgespeeld | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent voorgespeeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is voorgespeeld | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was voorgespeeld | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd voorgespeeld | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt voorgespeeld | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal voorgespeeld worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal voorgespeeld zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou voorgespeeld worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou voorgespeeld zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had voorgespeeld | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had voorgespeeld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had voorgespeeld | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden voorgespeeld | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden voorgespeeld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden voorgespeeld | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt voorgespeeld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb voorgespeeld | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben voorgespeeld | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben voorgespeeld | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben voorgespeeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben voorgespeeld | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt voorgespeeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft voorgespeeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft voorgespeeld | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is voorgespeeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is voorgespeeld | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| speel voor | gebiedende wijs |
| speelde voor | verleden tijd |
| te hebben voorgespeeld | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen voorspelen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| voor te spelen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| voor te zullen spelen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| voor zal spelen | bijzin, toekomende tijd |
| voor zou spelen | bijzin, voorwaardelijk |
| voor zouden spelen | bijzin, voorwaardelijk |
| voor zoudt spelen | bijzin, voorwaardelijk |
| voor zullen spelen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| voor zullen spelen | bijzin, toekomende tijd |
| voor zult spelen | bijzin, toekomende tijd |
| voorgespeeld | verleden tijd, deelwoord |
| voorgespeeld te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| voorgespeeld te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| voorgespeeld te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| voorgespeeld te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| voorgespeeld te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| voorgespeeld worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| voorgespeeld zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| voorgespeeld zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| voorgespeeld zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| voorgespeeld zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| voorspeel | bijzin, tegenwoordige tijd |
| voorspeelde | bijzin, verleden tijd |
| voorspeelden | bijzin, verleden tijd |
| voorspeelt | bijzin, tegenwoordige tijd |
| voorspelend | onvoltooid, deelwoord |
| waart voorgespeeld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren voorgespeeld | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren voorgespeeld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren voorgespeeld | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was voorgespeeld | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was voorgespeeld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was voorgespeeld | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd voorgespeeld | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd voorgespeeld | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd voorgespeeld | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden voorgespeeld | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden voorgespeeld | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden voorgespeeld | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt voorgespeeld | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word voorgespeeld | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden voorgespeeld | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden voorgespeeld | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden voorgespeeld | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt voorgespeeld | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt voorgespeeld | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal voorgespeeld hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal voorgespeeld hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal voorgespeeld hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal voorgespeeld worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal voorgespeeld worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal voorgespeeld zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal voorgespeeld zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal voorspelen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal voorspelen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal voorspelen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal voorspelen | bijzin, toekomende tijd |
| zijn voorgespeeld | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn voorgespeeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn voorgespeeld | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt voorgespeeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou voorgespeeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou voorgespeeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou voorgespeeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou voorgespeeld worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou voorgespeeld worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou voorgespeeld worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou voorgespeeld zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou voorgespeeld zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou voorgespeeld zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou voorspelen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou voorspelen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou voorspelen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou voorspelen | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) voorspelen voor zou(dt) spelen | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden voorgespeeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden voorgespeeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden voorgespeeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden voorgespeeld worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden voorgespeeld worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden voorgespeeld worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden voorgespeeld zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden voorgespeeld zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden voorgespeeld zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden voorspelen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden voorspelen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden voorspelen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden voorspelen | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt voorgespeeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt voorgespeeld worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt voorgespeeld zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt voorspelen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt voorspelen | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen voorgespeeld hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen voorgespeeld hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen voorgespeeld hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen voorgespeeld worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen voorgespeeld worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen voorgespeeld worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen voorgespeeld zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen voorgespeeld zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen voorgespeeld zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen voorspelen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen voorspelen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen voorspelen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen voorspelen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen voorspelen | bijzin, toekomende tijd |
| zult voorgespeeld hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Woordvorm
- meervoud van het zelfstandig naamwoord voorspel
Herkomst
samenstelling van voor bw en spelen ww
Woordfamilie van voorspelen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| speel voor | gebiedende wijs | voorspelen |
| speelde voor | verleden tijd | voorspelen |
| speelden voor | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | voorspelen |
| speelt voor | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | voorspelen |
| spele voor | woordvorm | voorspelen |
| spelen voor | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | voorspelen |
| voorgespeeld | voltooid deelwoord | voorspelen |
| voorgespeelde | woordvorm | voorspelen |
| voorspeel | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | voorspelen |
| voorspeelde | subordinate-clause, verleden tijd | voorspelen |
| voorspeelden | subordinate-clause, verleden tijd | voorspelen |
| voorspeelt | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | voorspelen |
| voorspele | with-subordinate-clause | voorspelen |
| voorspelend | onvoltooid deelwoord | voorspelen |
| voorspelende | woordvorm | voorspelen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van voorspelen zijn vastgelegd.