vlees
zelfstandig naamwoord, werkwoord vlesBetekenis
- spierweefsel van bepaalde organen
- spierweefsel van dieren dat opgegeten kan worden als onderdeel van de voeding
Hoe spreek je vlees uit?
/vles/
Vlees bestaat uit één lettergreep.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| v | vis |
| l | land |
| e | veel |
| s | sok |
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| vleesje | verkleinwoord, enkelvoud |
| vleesjes | verkleinwoord, meervoud |
| vlezen | meervoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van vlezen
- gebiedende wijs van vlezen
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van vlezen
Vervoeging van vlees
vleeshele werkwoord
Herkomst
erfwoord via Middelnederlands vleesc en Oudnederlands flesk, in de betekenis van ‘spierweefsel’ aangetroffen vanaf 901
Woordfamilie van vlees
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| vleesch | neuter | vlees |
| vleesje | verkleinwoord | vlees |
| vleesjes | verkleinwoord meervoud | vlees |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van vlees zijn vastgelegd.