verspanen
werkwoordBetekenis
- het toepassen van een aantal vormgevingstechnieken waarbij door middel van een beitel materiaal wordt verwijderd totdat de gewenste vorm is ontstaan
Vervoeging van verspanen
verspanenhele werkwoord — verspaandeverleden tijd enkelvoud — verspaandenverleden tijd meervoud — verspaandvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | verspaan | verspaande |
| jij | verspaant | verspaande |
| hij, zij, het | verspaant | verspaande |
| wij | verspanen | verspaanden |
| jullie | verspanen | verspaanden |
| zij | verspanen | verspaanden |
Alle 63 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| er is verspaand | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was verspaand | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd verspaand | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt verspaand | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal verspaand worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal verspaand zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou verspaand worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou verspaand zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had verspaand | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had verspaand | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had verspaand | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden verspaand | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden verspaand | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden verspaand | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt verspaand | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb verspaand | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben verspaand | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben verspaand | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben verspaand | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben verspaand | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt verspaand | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft verspaand | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft verspaand | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te hebben verspaand | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te verspanen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen verspanen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| verspaan | gebiedende wijs |
| verspaand | verleden tijd, deelwoord |
| verspaand te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| verspaand zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| verspaande | verleden tijd |
| verspane | aanvoegende wijs |
| verspanend | onvoltooid, deelwoord |
| zal verspaand hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal verspaand hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal verspaand hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal verspanen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal verspanen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal verspanen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zou verspaand hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou verspaand hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou verspaand hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou verspanen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou verspanen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou verspanen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden verspaand hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden verspaand hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden verspaand hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden verspanen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden verspanen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden verspanen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt verspaand hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt verspanen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen verspaand hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen verspaand hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen verspaand hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen verspanen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen verspanen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen verspanen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen verspanen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult verspaand hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult verspanen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
afgeleid van spaan met het voorvoegsel ver- en met het achtervoegsel -en
Woordfamilie van verspanen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| verspaan | gebiedende wijs | verspanen |
| verspaand | voltooid deelwoord | verspanen |
| verspaande | verleden tijd | verspanen |
| verspaanden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | verspanen |
| verspaant | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | verspanen |
| verspane | aanvoegende wijs | verspanen |
| verspanend | onvoltooid deelwoord | verspanen |
| verspanende | woordvorm | verspanen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van verspanen zijn vastgelegd.