schaven
werkwoord, zelfstandig naamwoordBetekenis
- gladmaken door middel van een schaaf
- verwonden door wegscheuring van de huid
- door middel van een schaaf in plakjes snijden
- met een schaaf bezig zijn
- verfijnen, elegant maken
Vervoeging van schaven
schavenhele werkwoord — schaafdeverleden tijd enkelvoud — schaafdenverleden tijd meervoud — geschaafdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | schaaf | schaafde |
| jij | schaaft | schaafde |
| hij, zij, het | schaaft | schaafde |
| wij | schaven | schaafden |
| jullie | schaven | schaafden |
| zij | schaven | schaafden |
Alle 97 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| er is geschaafd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was geschaafd | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd geschaafd | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt geschaafd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal geschaafd worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal geschaafd zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou geschaafd worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou geschaafd zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| geschaafd | verleden tijd, deelwoord |
| geschaafd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| geschaafd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had geschaafd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had geschaafd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had geschaafd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden geschaafd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden geschaafd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden geschaafd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt geschaafd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb geschaafd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben geschaafd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben geschaafd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben geschaafd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben geschaafd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt geschaafd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft geschaafd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft geschaafd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| schaaf | gebiedende wijs |
| schaaf me | eerste persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud |
| schaaf u/je , schaaft je | gebiedende wijs |
| schaafde | verleden tijd |
| schaafde je | tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| schaafde me | eerste persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| schaafde u | tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| schaafde u | tweede persoon, verleden tijd, meervoud |
| schaafde zich | derde persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| schaafde zich/u | tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| schaafde zich/u | tweede persoon, verleden tijd, meervoud |
| schaafden je | tweede persoon, verleden tijd, meervoud |
| schaafden ons | eerste persoon, verleden tijd, meervoud |
| schaafden zich | derde persoon, verleden tijd, meervoud |
| schaaft je | tweede persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud |
| schaaft u | tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| schaaft u | tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| schaaft zich | derde persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud |
| schaaft zich/u | tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| schaaft zich/u | tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| schave | aanvoegende wijs |
| schave zich | aanvoegende wijs |
| schaven je | tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| schaven ons | eerste persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| schaven zich | derde persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| schavend | onvoltooid, deelwoord |
| te hebben geschaafd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te schaven | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen schaven | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal geschaafd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal geschaafd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal geschaafd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal me schaven | eerste persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| zal schaven | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal schaven | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal schaven | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal zich schaven | derde persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| zal, zult je schaven | tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| zich geschaafd hebben | verleden tijd |
| zich schavend | onvoltooid, deelwoord |
| zou geschaafd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou geschaafd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou geschaafd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou schaven | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou schaven | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou schaven | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden geschaafd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden geschaafd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden geschaafd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden schaven | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden schaven | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden schaven | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt geschaafd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt schaven | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen geschaafd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen geschaafd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen geschaafd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen je schaven | tweede persoon, toekomende tijd, meervoud |
| zullen ons schaven | eerste persoon, toekomende tijd, meervoud |
| zullen schaven | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen schaven | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen schaven | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen schaven | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen zich schaven | derde persoon, toekomende tijd, meervoud |
| zult geschaafd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult schaven | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult u schaven | tweede persoon |
| zult u schaven | tweede persoon, toekomende tijd, meervoud |
| zult zich/u schaven | tweede persoon |
| zult zich/u schaven | tweede persoon, toekomende tijd, meervoud |
Woordvorm
- meervoud van het zelfstandig naamwoord schaaf
Herkomst
In de betekenis van ‘gladmaken’ voor het eerst aangetroffen in 1240
Woordfamilie van schaven
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| schaafde | verleden tijd | schaven |
| schaafden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | schaven |
| schaaft | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | schaven |
| schave | aanvoegende wijs | schaven |
| schavend | onvoltooid deelwoord | schaven |
| schavende | woordvorm | schaven |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van schaven zijn vastgelegd.