boren
werkwoord, zelfstandig naamwoordBetekenis
- met een werktuig dat om zijn as draait een rond gat in iets maken
- iets of iemand strak aankijken
Vervoeging van boren
borenhele werkwoord — boordeverleden tijd enkelvoud — boordenverleden tijd meervoud — geboordvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | boor | boorde |
| jij | boort | boorde |
| hij, zij, het | boort | boorde |
| wij | boren | boorden |
| jullie | boren | boorden |
| zij | boren | boorden |
Alle 63 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| boor | gebiedende wijs |
| boorde | verleden tijd |
| bore | aanvoegende wijs |
| borend | onvoltooid, deelwoord |
| er is geboord | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was geboord | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd geboord | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt geboord | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal geboord worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal geboord zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou geboord worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou geboord zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| geboord | verleden tijd, deelwoord |
| geboord te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| geboord zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had geboord | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had geboord | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had geboord | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden geboord | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden geboord | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden geboord | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt geboord | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb geboord | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben geboord | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben geboord | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben geboord | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben geboord | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt geboord | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft geboord | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft geboord | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te boren | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te hebben geboord | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen boren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal boren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal boren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal boren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal geboord hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal geboord hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal geboord hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zou boren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou boren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou boren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou geboord hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou geboord hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou geboord hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden boren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden boren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden boren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden geboord hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden geboord hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden geboord hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt boren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt geboord hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen boren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen boren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen boren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen boren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen geboord hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen geboord hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen geboord hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zult boren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult geboord hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Woordvorm
- meervoud van het zelfstandig naamwoord boor
Herkomst
In de betekenis van ‘een gat maken’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1240
Woordfamilie van boren
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| bore | aanvoegende wijs | boren |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van boren zijn vastgelegd.