uithouden
werkwoord ˈœythɑudə(n)Betekenis
- het ~ langdurig moeilijkheden verdragen of belasting dragen
- weghouden van iets
Hoe spreek je uithouden uit?
/ˈœythɑudən/
Uithouden bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| œy | huis |
| t | tak |
| h | hoed |
| ɑu | koud |
| d | dak |
| ə | de |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Vervoeging van uithouden
uithoudenhele werkwoord — hield uitverleden tijd enkelvoud — hielden uitverleden tijd meervoud — uitgehoudenvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | hou uit | hield uit |
| jij | houdt uit | hield uit |
| hij, zij, het | houdt uit | hield uit |
| wij | houden uit | hielden uit |
| jullie | houden uit | hielden uit |
| zij | houden uit | hielden uit |
Alle 148 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben uitgehouden | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent uitgehouden | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is uitgehouden | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was uitgehouden | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd uitgehouden | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt uitgehouden | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal uitgehouden worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal uitgehouden zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou uitgehouden worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou uitgehouden zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had uitgehouden | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had uitgehouden | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had uitgehouden | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden uitgehouden | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden uitgehouden | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden uitgehouden | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt uitgehouden | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb uitgehouden | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben uitgehouden | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben uitgehouden | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben uitgehouden | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben uitgehouden | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt uitgehouden | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft uitgehouden | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft uitgehouden | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hield uit | verleden tijd |
| hou uit | gebiedende wijs |
| houd uit | gebiedende wijs |
| is uitgehouden | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is uitgehouden | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te hebben uitgehouden | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen uithouden | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| uit te houden | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| uit te zullen houden | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| uit zal houden | bijzin, toekomende tijd |
| uit zou houden | bijzin, voorwaardelijk |
| uit zouden houden | bijzin, voorwaardelijk |
| uit zoudt houden | bijzin, voorwaardelijk |
| uit zullen houden | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| uit zullen houden | bijzin, toekomende tijd |
| uit zult houden | bijzin, toekomende tijd |
| uitgehouden | verleden tijd, deelwoord |
| uitgehouden te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| uitgehouden te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| uitgehouden te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| uitgehouden te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| uitgehouden te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| uitgehouden worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| uitgehouden zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| uitgehouden zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| uitgehouden zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| uitgehouden zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| uithield | bijzin, verleden tijd |
| uithielden | bijzin, verleden tijd |
| uithieldt | bijzin, verleden tijd |
| uithou | bijzin, tegenwoordige tijd |
| uithoud | bijzin, tegenwoordige tijd |
| uithoudend | onvoltooid, deelwoord |
| uithoudt | bijzin, tegenwoordige tijd |
| waart uitgehouden | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren uitgehouden | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren uitgehouden | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren uitgehouden | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was uitgehouden | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was uitgehouden | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was uitgehouden | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd uitgehouden | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd uitgehouden | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd uitgehouden | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden uitgehouden | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden uitgehouden | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden uitgehouden | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt uitgehouden | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word uitgehouden | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden uitgehouden | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden uitgehouden | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden uitgehouden | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt uitgehouden | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt uitgehouden | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal uitgehouden hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal uitgehouden hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal uitgehouden hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal uitgehouden worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal uitgehouden worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal uitgehouden zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal uitgehouden zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal uithouden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal uithouden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal uithouden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal uithouden | bijzin, toekomende tijd |
| zijn uitgehouden | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn uitgehouden | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn uitgehouden | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt uitgehouden | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou uitgehouden hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou uitgehouden hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou uitgehouden hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou uitgehouden worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou uitgehouden worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou uitgehouden worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou uitgehouden zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou uitgehouden zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou uitgehouden zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou uithouden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou uithouden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou uithouden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou uithouden | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) uithouden uit zou(dt) houden | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden uitgehouden hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden uitgehouden hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden uitgehouden hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden uitgehouden worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden uitgehouden worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden uitgehouden worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden uitgehouden zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden uitgehouden zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden uitgehouden zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden uithouden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden uithouden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden uithouden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden uithouden | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt uitgehouden hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt uitgehouden worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt uitgehouden zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt uithouden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt uithouden | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen uitgehouden hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen uitgehouden hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen uitgehouden hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen uitgehouden worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen uitgehouden worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen uitgehouden worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen uitgehouden zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen uitgehouden zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen uitgehouden zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen uithouden | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen uithouden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen uithouden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
Herkomst
samenstelling van uit bw en houden ww
Woordfamilie van uithouden
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| hield uit | verleden tijd | uithouden |
| hielden uit | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | uithouden |
| hou uit | gebiedende wijs | uithouden |
| houd uit | gebiedende wijs | uithouden |
| houde uit | woordvorm | uithouden |
| houden uit | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | uithouden |
| houdt uit | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | uithouden |
| uitgehouden | voltooid deelwoord | uithouden |
| uithield | subordinate-clause, verleden tijd | uithouden |
| uithielden | subordinate-clause, verleden tijd | uithouden |
| uithou | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | uithouden |
| uithoud | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | uithouden |
| uithoude | with-subordinate-clause | uithouden |
| uithoudend | onvoltooid deelwoord | uithouden |
| uithoudende | woordvorm | uithouden |
| uithoudt | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | uithouden |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van uithouden zijn vastgelegd.