| - |
impersonal, passief
|
| ben gehard |
voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
|
| bent gehard |
voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
|
| er is gehard |
impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
|
| er was gehard |
impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
|
| er werd gehard |
impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
|
| er wordt gehard |
impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
|
| er zal gehard worden |
impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
|
| er zal gehard zijn |
impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
|
| er zou gehard worden |
impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
|
| er zou gehard zijn |
impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
|
| ev. |
gebiedende wijs
|
| gehard |
verleden tijd, deelwoord
|
| gehard te worden |
infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
|
| gehard te zijn |
infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
|
| gehard te zullen hebben |
actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
|
| gehard te zullen worden |
infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
|
| gehard te zullen zijn |
infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
|
| gehard worden |
infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
|
| gehard zijn |
infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
|
| gehard zullen hebben |
actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
|
| gehard zullen worden |
infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
|
| gehard zullen zijn |
infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
|
| had gehard |
voltooid, verleden tijd, eerste persoon
|
| had gehard |
voltooid, verleden tijd, tweede persoon
|
| had gehard |
voltooid, verleden tijd, derde persoon
|
| hadden gehard |
voltooid, verleden tijd, eerste persoon
|
| hadden gehard |
voltooid, verleden tijd, tweede persoon
|
| hadden gehard |
voltooid, verleden tijd, derde persoon
|
| hadt gehard |
voltooid, verleden tijd, tweede persoon
|
| hard |
gebiedende wijs
|
| hard me |
eerste persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud
|
| hard u/je , hardt je |
gebiedende wijs
|
| hardde |
verleden tijd
|
| hardde je |
tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud
|
| hardde me |
eerste persoon, verleden tijd, enkelvoud
|
| hardde u |
tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud
|
| hardde u |
tweede persoon, verleden tijd, meervoud
|
| hardde zich |
derde persoon, verleden tijd, enkelvoud
|
| hardde zich/u |
tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud
|
| hardde zich/u |
tweede persoon, verleden tijd, meervoud
|
| hardden je |
tweede persoon, verleden tijd, meervoud
|
| hardden ons |
eerste persoon, verleden tijd, meervoud
|
| hardden zich |
derde persoon, verleden tijd, meervoud
|
| harde |
aanvoegende wijs
|
| harde zich |
aanvoegende wijs
|
| harden je |
tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud
|
| harden ons |
eerste persoon, tegenwoordige tijd, meervoud
|
| harden zich |
derde persoon, tegenwoordige tijd, meervoud
|
| hardend |
onvoltooid, deelwoord
|
| hardt je |
tweede persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud
|
| hardt u |
tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud
|
| hardt u |
tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud
|
| hardt zich |
derde persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud
|
| hardt zich/u |
tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud
|
| hardt zich/u |
tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud
|
| heb gehard |
voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
|
| hebben gehard |
actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
|
| hebben gehard |
voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
|
| hebben gehard |
voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
|
| hebben gehard |
voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
|
| hebt gehard |
voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
|
| heeft gehard |
voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
|
| heeft gehard |
voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
|
| is gehard |
voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
|
| is gehard |
voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
|
| te harden |
actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
|
| te hebben gehard |
actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
|
| te zullen harden |
actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
|
| waart gehard |
voltooid, verleden tijd, tweede persoon
|
| waren gehard |
voltooid, verleden tijd, eerste persoon
|
| waren gehard |
voltooid, verleden tijd, tweede persoon
|
| waren gehard |
voltooid, verleden tijd, derde persoon
|
| was gehard |
voltooid, verleden tijd, eerste persoon
|
| was gehard |
voltooid, verleden tijd, tweede persoon
|
| was gehard |
voltooid, verleden tijd, derde persoon
|
| werd gehard |
enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon
|
| werd gehard |
enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
|
| werd gehard |
enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
|
| werden gehard |
enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon
|
| werden gehard |
enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon
|
| werden gehard |
enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon
|
| werdt gehard |
enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
|
| word gehard |
enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
|
| worden gehard |
enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon
|
| worden gehard |
enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon
|
| worden gehard |
enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
|
| wordt gehard |
enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon
|
| wordt gehard |
enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
|
| zal gehard hebben |
voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
|
| zal gehard hebben |
voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
|
| zal gehard hebben |
voltooid, toekomende tijd, derde persoon
|
| zal gehard worden |
enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon
|
| zal gehard worden |
enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
|
| zal gehard zijn |
voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
|
| zal gehard zijn |
voltooid, toekomende tijd, derde persoon
|
| zal harden |
aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
|
| zal harden |
aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
|
| zal harden |
aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
|
| zal me harden |
eerste persoon, toekomende tijd, enkelvoud
|
| zal zich harden |
derde persoon, toekomende tijd, enkelvoud
|
| zal, zult je harden |
tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud
|
| zich gehard hebben |
verleden tijd
|
| zich hardend |
onvoltooid, deelwoord
|
| zijn gehard |
voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
|
| zijn gehard |
voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
|
| zijn gehard |
voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
|
| zijt gehard |
voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
|
| zou gehard hebben |
voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
|
| zou gehard hebben |
voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
|
| zou gehard hebben |
voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
|
| zou gehard worden |
enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
|
| zou gehard worden |
enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
|
| zou gehard worden |
enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
|
| zou gehard zijn |
voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
|
| zou gehard zijn |
voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
|
| zou gehard zijn |
voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
|
| zou harden |
aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
|
| zou harden |
aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
|
| zou harden |
aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
|
| zouden gehard hebben |
voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
|
| zouden gehard hebben |
voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
|
| zouden gehard hebben |
voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
|
| zouden gehard worden |
enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
|
| zouden gehard worden |
enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
|
| zouden gehard worden |
enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon
|
| zouden gehard zijn |
voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
|
| zouden gehard zijn |
voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
|
| zouden gehard zijn |
voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
|
| zouden harden |
aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
|
| zouden harden |
aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
|
| zouden harden |
aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
|
| zoudt gehard hebben |
voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
|
| zoudt gehard worden |
enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
|
| zoudt gehard zijn |
voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
|
| zoudt harden |
aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
|
| zullen gehard hebben |
voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
|
| zullen gehard hebben |
voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
|
| zullen gehard hebben |
voltooid, toekomende tijd, derde persoon
|
| zullen gehard worden |
enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
|