uitstaan
werkwoord ˈœytstanBetekenis
- nog niet geïnd of ingevorderd
- iemand/iets niet kunnen ~: een grote hekel aan iemand/iets hebben
Hoe spreek je uitstaan uit?
/ˈœytstan/
Uitstaan bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| œy | huis |
| t | tak |
| s | sok |
| a | maan |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
werkwoord
- nog niet geïnd of ingevorderd zijn absolute
- ~ hebben met te maken hebben met
- naar buiten gericht zijn
Vervoeging van uitstaan
uitstaanhele werkwoord — stond uitverleden tijd enkelvoud — stonden uitverleden tijd meervoud — uitgestaanvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | sta uit | stond uit |
| jij | staat uit | stond uit |
| hij, zij, het | staat uit | stond uit |
| wij | staan uit | stonden uit |
| jullie | staan uit | stonden uit |
| zij | staan uit | stonden uit |
Alle 145 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben uitgestaan | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent uitgestaan | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is uitgestaan | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was uitgestaan | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd uitgestaan | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt uitgestaan | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal uitgestaan worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal uitgestaan zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou uitgestaan worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou uitgestaan zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had uitgestaan | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had uitgestaan | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had uitgestaan | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden uitgestaan | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden uitgestaan | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden uitgestaan | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt uitgestaan | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb uitgestaan | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben uitgestaan | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben uitgestaan | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben uitgestaan | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben uitgestaan | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt uitgestaan | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft uitgestaan | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft uitgestaan | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is uitgestaan | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is uitgestaan | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| sta uit | gebiedende wijs |
| stond uit | verleden tijd |
| te hebben uitgestaan | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen uitstaan | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| uit te staan | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| uit te zullen staan | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| uit zal staan | bijzin, toekomende tijd |
| uit zou staan | bijzin, voorwaardelijk |
| uit zouden staan | bijzin, voorwaardelijk |
| uit zoudt staan | bijzin, voorwaardelijk |
| uit zullen staan | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| uit zullen staan | bijzin, toekomende tijd |
| uit zult staan | bijzin, toekomende tijd |
| uitgestaan | verleden tijd, deelwoord |
| uitgestaan te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| uitgestaan te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| uitgestaan te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| uitgestaan te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| uitgestaan te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| uitgestaan worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| uitgestaan zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| uitgestaan zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| uitgestaan zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| uitgestaan zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| uitsta | bijzin, tegenwoordige tijd |
| uitstaand | onvoltooid, deelwoord |
| uitstaat | bijzin, tegenwoordige tijd |
| uitstond | bijzin, verleden tijd |
| uitstonden | bijzin, verleden tijd |
| waart uitgestaan | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren uitgestaan | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren uitgestaan | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren uitgestaan | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was uitgestaan | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was uitgestaan | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was uitgestaan | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd uitgestaan | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd uitgestaan | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd uitgestaan | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden uitgestaan | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden uitgestaan | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden uitgestaan | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt uitgestaan | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word uitgestaan | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden uitgestaan | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden uitgestaan | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden uitgestaan | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt uitgestaan | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt uitgestaan | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal uitgestaan hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal uitgestaan hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal uitgestaan hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal uitgestaan worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal uitgestaan worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal uitgestaan zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal uitgestaan zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal uitstaan | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal uitstaan | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal uitstaan | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal uitstaan | bijzin, toekomende tijd |
| zijn uitgestaan | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn uitgestaan | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn uitgestaan | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt uitgestaan | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou uitgestaan hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou uitgestaan hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou uitgestaan hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou uitgestaan worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou uitgestaan worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou uitgestaan worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou uitgestaan zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou uitgestaan zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou uitgestaan zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou uitstaan | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou uitstaan | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou uitstaan | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou uitstaan | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) uitstaan uit zou(dt) staan | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden uitgestaan hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden uitgestaan hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden uitgestaan hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden uitgestaan worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden uitgestaan worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden uitgestaan worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden uitgestaan zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden uitgestaan zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden uitgestaan zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden uitstaan | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden uitstaan | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden uitstaan | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden uitstaan | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt uitgestaan hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt uitgestaan worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt uitgestaan zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt uitstaan | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt uitstaan | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen uitgestaan hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen uitgestaan hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen uitgestaan hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen uitgestaan worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen uitgestaan worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen uitgestaan worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen uitgestaan zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen uitgestaan zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen uitgestaan zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen uitstaan | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen uitstaan | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen uitstaan | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen uitstaan | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen uitstaan | bijzin, toekomende tijd |
| zult uitgestaan hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Herkomst
samenstelling van uit bw en staan ww
Woordfamilie van uitstaan
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| sta uit | gebiedende wijs | uitstaan |
| staan uit | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | uitstaan |
| staat uit | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | uitstaan |
| stond uit | verleden tijd | uitstaan |
| stonden uit | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | uitstaan |
| uitgestaan | voltooid deelwoord | uitstaan |
| uitgestane | woordvorm | uitstaan |
| uitsta | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | uitstaan |
| uitstaat | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | uitstaan |
| uitstond | subordinate-clause, verleden tijd | uitstaan |
| uitstonden | subordinate-clause, verleden tijd | uitstaan |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van uitstaan zijn vastgelegd.