Naar de inhoud

uitstaan

nog niet geïnd of ingevorderd

uitstaan

werkwoord ˈœytstan

Betekenis

  1. nog niet geïnd of ingevorderd
  2. iemand/iets niet kunnen ~: een grote hekel aan iemand/iets hebben

Hoe spreek je uitstaan uit?

/ˈœytstan/

Uitstaan bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.

De tekens in /ˈœytstan/ en een woord waarin dezelfde klank staat.
Teken Klinkt als in
œy huis
t tak
s sok
a maan
n nek
ˈ de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint

werkwoord

  1. nog niet geïnd of ingevorderd zijn absolute
  2. ~ hebben met te maken hebben met
  3. naar buiten gericht zijn

Vervoeging van uitstaan

uitstaanhele werkwoord — stond uitverleden tijd enkelvoud — stonden uitverleden tijd meervoud — uitgestaanvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik sta uit stond uit
jij staat uit stond uit
hij, zij, het staat uit stond uit
wij staan uit stonden uit
jullie staan uit stonden uit
zij staan uit stonden uit
Alle 145 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
- impersonal, passief
ben uitgestaan voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent uitgestaan voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
er is uitgestaan impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was uitgestaan impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd uitgestaan impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt uitgestaan impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal uitgestaan worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal uitgestaan zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou uitgestaan worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou uitgestaan zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
had uitgestaan voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had uitgestaan voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had uitgestaan voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden uitgestaan voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden uitgestaan voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden uitgestaan voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt uitgestaan voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb uitgestaan voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben uitgestaan actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben uitgestaan voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben uitgestaan voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben uitgestaan voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt uitgestaan voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft uitgestaan voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft uitgestaan voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
is uitgestaan voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is uitgestaan voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
sta uit gebiedende wijs
stond uit verleden tijd
te hebben uitgestaan actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen uitstaan actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
uit te staan actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
uit te zullen staan actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
uit zal staan bijzin, toekomende tijd
uit zou staan bijzin, voorwaardelijk
uit zouden staan bijzin, voorwaardelijk
uit zoudt staan bijzin, voorwaardelijk
uit zullen staan actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
uit zullen staan bijzin, toekomende tijd
uit zult staan bijzin, toekomende tijd
uitgestaan verleden tijd, deelwoord
uitgestaan te worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
uitgestaan te zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
uitgestaan te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
uitgestaan te zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
uitgestaan te zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
uitgestaan worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
uitgestaan zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
uitgestaan zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
uitgestaan zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
uitgestaan zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
uitsta bijzin, tegenwoordige tijd
uitstaand onvoltooid, deelwoord
uitstaat bijzin, tegenwoordige tijd
uitstond bijzin, verleden tijd
uitstonden bijzin, verleden tijd
waart uitgestaan voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren uitgestaan voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren uitgestaan voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren uitgestaan voltooid, verleden tijd, derde persoon
was uitgestaan voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was uitgestaan voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was uitgestaan voltooid, verleden tijd, derde persoon
werd uitgestaan enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon
werd uitgestaan enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
werd uitgestaan enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
werden uitgestaan enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon
werden uitgestaan enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon
werden uitgestaan enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon
werdt uitgestaan enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
word uitgestaan enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
worden uitgestaan enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon
worden uitgestaan enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon
worden uitgestaan enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
wordt uitgestaan enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon
wordt uitgestaan enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zal uitgestaan hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal uitgestaan hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal uitgestaan hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal uitgestaan worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal uitgestaan worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zal uitgestaan zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal uitgestaan zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal uitstaan aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal uitstaan aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal uitstaan aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal uitstaan bijzin, toekomende tijd
zijn uitgestaan voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn uitgestaan voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn uitgestaan voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt uitgestaan voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou uitgestaan hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou uitgestaan hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou uitgestaan hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou uitgestaan worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou uitgestaan worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zou uitgestaan worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou uitgestaan zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou uitgestaan zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou uitgestaan zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou uitstaan aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou uitstaan aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou uitstaan aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou uitstaan bijzin, voorwaardelijk
zou(dt) uitstaan uit zou(dt) staan bijzin, voorwaardelijk
zouden uitgestaan hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden uitgestaan hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden uitgestaan hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden uitgestaan worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden uitgestaan worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden uitgestaan worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden uitgestaan zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden uitgestaan zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden uitgestaan zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden uitstaan aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden uitstaan aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden uitstaan aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden uitstaan bijzin, voorwaardelijk
zoudt uitgestaan hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt uitgestaan worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt uitgestaan zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt uitstaan aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt uitstaan bijzin, voorwaardelijk
zullen uitgestaan hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen uitgestaan hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen uitgestaan hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen uitgestaan worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen uitgestaan worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen uitgestaan worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen uitgestaan zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen uitgestaan zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen uitgestaan zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen uitstaan actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen uitstaan aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen uitstaan aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen uitstaan aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen uitstaan bijzin, toekomende tijd
zult uitgestaan hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon

Herkomst

samenstelling van uit bw en staan ww

Woordfamilie van uitstaan

Woordvorm Relatie Afgeleid van
sta uit gebiedende wijs uitstaan
staan uit aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon uitstaan
staat uit aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon uitstaan
stond uit verleden tijd uitstaan
stonden uit aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon uitstaan
uitgestaan voltooid deelwoord uitstaan
uitgestane woordvorm uitstaan
uitsta subordinate-clause, tegenwoordige tijd uitstaan
uitstaat subordinate-clause, tegenwoordige tijd uitstaan
uitstond subordinate-clause, verleden tijd uitstaan
uitstonden subordinate-clause, verleden tijd uitstaan

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van uitstaan zijn vastgelegd.

Veelgestelde vragen over uitstaan

Hoe spreek ik uitstaan uit?
Zo spreek je uitstaan uit: /ˈœytstan/. Dat is de weergave in het internationaal fonetisch alfabet, waarin elke klank een eigen teken heeft. Het streepje ˈ markeert de klemtoon: die ligt op de eerste lettergreep.
Wat is de betekenis van uitstaan?
Uitstaan is een werkwoord. De betekenis is: nog niet geïnd of ingevorderd. In totaal staan er 5 betekenissen.
Hoe vervoeg ik uitstaan?
Zo vervoeg je uitstaan zo: het voltooid deelwoord is uitgestaan. Alle vormen staan in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord uitstaan is 14 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. U 4
  2. I 1
  3. T 2
  4. S 2
  5. T 2
  6. A 1
  7. A 1
  8. N 1
  9. 14 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

uitstaan levert met Wordfeud minimaal 13 en maximaal 51 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. U 2
  2. I 2
  3. T 2
  4. S 2
  5. T 2
  6. A 1
  7. A 1
  8. N 1
  9. 13 zonder bonus
  10. 51 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (U) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

uitstaan in het kort

uitstaan staat in dit woordenboek als werkwoord. Hierboven vind je 5 betekenissen, met daarbij de bijbehorende woordsoort. Van uitstaan staan er 88 woordvormen vastgelegd; de tabel op deze pagina laat ze zien. Daarnaast hoort uitstaan bij een woordfamilie van 11 verwante woorden, bepaald aan de hand van vastgelegde woordvormrelaties.

uitstaan: nog niet geïnd of ingevorderd
Deel uitstaan — standaardnederlands.nl