uithoren
werkwoord ˈœythorə(n)Betekenis
- door ondervragen trachten alles van iemand te weten te komen
- tot het einde horen
Hoe spreek je uithoren uit?
/ˈœythorən/
Uithoren bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| œy | huis |
| t | tak |
| h | hoed |
| o | boot |
| r | rood |
| ə | de |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Vervoeging van uithoren
uithorenhele werkwoord — hoorde uitverleden tijd enkelvoud — hoorden uitverleden tijd meervoud — uitgehoordvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | hoor uit | hoorde uit |
| jij | hoort uit | hoorde uit |
| hij, zij, het | hoort uit | hoorde uit |
| wij | horen uit | hoorden uit |
| jullie | horen uit | hoorden uit |
| zij | horen uit | hoorden uit |
Alle 145 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben uitgehoord | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent uitgehoord | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is uitgehoord | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was uitgehoord | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd uitgehoord | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt uitgehoord | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal uitgehoord worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal uitgehoord zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou uitgehoord worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou uitgehoord zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had uitgehoord | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had uitgehoord | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had uitgehoord | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden uitgehoord | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden uitgehoord | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden uitgehoord | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt uitgehoord | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb uitgehoord | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben uitgehoord | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben uitgehoord | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben uitgehoord | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben uitgehoord | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt uitgehoord | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft uitgehoord | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft uitgehoord | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hoor uit | gebiedende wijs |
| hoorde uit | verleden tijd |
| is uitgehoord | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is uitgehoord | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te hebben uitgehoord | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen uithoren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| uit te horen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| uit te zullen horen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| uit zal horen | bijzin, toekomende tijd |
| uit zou horen | bijzin, voorwaardelijk |
| uit zouden horen | bijzin, voorwaardelijk |
| uit zoudt horen | bijzin, voorwaardelijk |
| uit zullen horen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| uit zullen horen | bijzin, toekomende tijd |
| uit zult horen | bijzin, toekomende tijd |
| uitgehoord | verleden tijd, deelwoord |
| uitgehoord te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| uitgehoord te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| uitgehoord te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| uitgehoord te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| uitgehoord te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| uitgehoord worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| uitgehoord zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| uitgehoord zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| uitgehoord zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| uitgehoord zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| uithoor | bijzin, tegenwoordige tijd |
| uithoorde | bijzin, verleden tijd |
| uithoorden | bijzin, verleden tijd |
| uithoort | bijzin, tegenwoordige tijd |
| uithorend | onvoltooid, deelwoord |
| waart uitgehoord | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren uitgehoord | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren uitgehoord | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren uitgehoord | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was uitgehoord | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was uitgehoord | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was uitgehoord | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd uitgehoord | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd uitgehoord | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd uitgehoord | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden uitgehoord | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden uitgehoord | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden uitgehoord | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt uitgehoord | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word uitgehoord | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden uitgehoord | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden uitgehoord | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden uitgehoord | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt uitgehoord | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt uitgehoord | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal uitgehoord hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal uitgehoord hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal uitgehoord hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal uitgehoord worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal uitgehoord worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal uitgehoord zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal uitgehoord zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal uithoren | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal uithoren | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal uithoren | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal uithoren | bijzin, toekomende tijd |
| zijn uitgehoord | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn uitgehoord | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn uitgehoord | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt uitgehoord | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou uitgehoord hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou uitgehoord hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou uitgehoord hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou uitgehoord worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou uitgehoord worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou uitgehoord worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou uitgehoord zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou uitgehoord zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou uitgehoord zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou uithoren | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou uithoren | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou uithoren | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou uithoren | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) uithoren uit zou(dt) horen | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden uitgehoord hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden uitgehoord hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden uitgehoord hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden uitgehoord worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden uitgehoord worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden uitgehoord worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden uitgehoord zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden uitgehoord zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden uitgehoord zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden uithoren | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden uithoren | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden uithoren | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden uithoren | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt uitgehoord hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt uitgehoord worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt uitgehoord zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt uithoren | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt uithoren | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen uitgehoord hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen uitgehoord hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen uitgehoord hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen uitgehoord worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen uitgehoord worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen uitgehoord worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen uitgehoord zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen uitgehoord zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen uitgehoord zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen uithoren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen uithoren | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen uithoren | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen uithoren | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen uithoren | bijzin, toekomende tijd |
| zult uitgehoord hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Herkomst
samenstelling van uit en horen
Woordfamilie van uithoren
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| hoor uit | gebiedende wijs | uithoren |
| hoorde uit | verleden tijd | uithoren |
| hoorden uit | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | uithoren |
| hoort uit | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | uithoren |
| hore uit | woordvorm | uithoren |
| horen uit | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | uithoren |
| uitgehoord | voltooid deelwoord | uithoren |
| uitgehoorde | woordvorm | uithoren |
| uithoor | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | uithoren |
| uithoorde | subordinate-clause, verleden tijd | uithoren |
| uithoorden | subordinate-clause, verleden tijd | uithoren |
| uithoort | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | uithoren |
| uithore | with-subordinate-clause | uithoren |
| uithorend | onvoltooid deelwoord | uithoren |
| uithorende | woordvorm | uithoren |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van uithoren zijn vastgelegd.