Naar de inhoud

straffen

negatieve consequenties verbinden aan een als verkeerd geziene daad

straffen is meer dan één woord

straffen

werkwoord, zelfstandig naamwoord ˈstrɑfə(n)

Betekenis

  1. negatieve consequenties verbinden aan een als verkeerd geziene daad

Hoe spreek je straffen uit?

/ˈstrɑfən/

Straffen bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.

De tekens in /ˈstrɑfən/ en een woord waarin dezelfde klank staat.
Teken Klinkt als in
s sok
t tak
r rood
ɑ bad
f fiets
ə de
n nek
ˈ de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint

Vervoeging van straffen

straffenhele werkwoord — strafteverleden tijd enkelvoud — straftenverleden tijd meervoud — gestraftvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik straf strafte
jij straft strafte
hij, zij, het straft strafte
wij straffen straften
jullie straffen straften
zij straffen straften
Alle 63 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
er is gestraft impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was gestraft impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd gestraft impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt gestraft impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal gestraft worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal gestraft zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou gestraft worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou gestraft zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
gestraft verleden tijd, deelwoord
gestraft te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
gestraft zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
had gestraft voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had gestraft voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had gestraft voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden gestraft voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden gestraft voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden gestraft voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt gestraft voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb gestraft voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben gestraft actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben gestraft voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben gestraft voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben gestraft voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt gestraft voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft gestraft voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft gestraft voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
straf gebiedende wijs
straffe aanvoegende wijs
straffend onvoltooid, deelwoord
strafte verleden tijd
te hebben gestraft actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te straffen actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen straffen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
zal gestraft hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal gestraft hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal gestraft hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal straffen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal straffen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal straffen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zou gestraft hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou gestraft hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou gestraft hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou straffen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou straffen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou straffen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zouden gestraft hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden gestraft hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden gestraft hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden straffen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden straffen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden straffen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zoudt gestraft hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt straffen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zullen gestraft hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen gestraft hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen gestraft hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen straffen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen straffen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen straffen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen straffen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zult gestraft hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult straffen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon

Woordvorm

  • meervoud van het zelfstandig naamwoord straf

Herkomst

afgeleid van straf met het achtervoegsel -en

Woordfamilie van straffen

Woordvorm Relatie Afgeleid van
gestraft voltooid deelwoord straffen
straffend onvoltooid deelwoord straffen
straffende woordvorm straffen
straft aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon straffen
strafte verleden tijd straffen
straften aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon straffen

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van straffen zijn vastgelegd.

Afleidingen en samenstellingen

Veelgestelde vragen over straffen

Hoe spreek ik straffen uit?
Zo spreek je straffen uit: /ˈstrɑfə(n)/. Dat is de weergave in het internationaal fonetisch alfabet, waarin elke klank een eigen teken heeft. Het streepje ˈ markeert de klemtoon: die ligt op de eerste lettergreep.
Wat is de betekenis van straffen?
Straffen is een werkwoord. De betekenis is: negatieve consequenties verbinden aan een als verkeerd geziene daad.
Hoe vervoeg ik straffen?
Zo vervoeg je straffen zo: de tegenwoordige tijd is straf, de verleden tijd is strafte en het voltooid deelwoord is gestraft. Alle vormen staan in de tabel op deze pagina.

Rijmwoordenboek: wat rijmt er op straffen?

Op straffen rijmen 10 woorden, onder andere blaffen, bestraffen en verschaffen. Ze klinken vanaf de beklemtoonde lettergreep hetzelfde, niet alleen op de laatste letters.

Rijmwoorden op straffen, uitspraak ˈstrɑfən, de gangbaarste eerst.
Rijmwoord Lettergrepen
blaffen 2
bestraffen 3
verschaffen 3
logenstraffen 4
maffen 2
taffen 2
baffen 2
giraffen 3
pardaffen 3
resjaffen 3

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord straffen is 17 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. S 2
  2. T 2
  3. R 2
  4. A 1
  5. F 4
  6. F 4
  7. E 1
  8. N 1
  9. 17 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

straffen levert met Wordfeud minimaal 17 en maximaal 75 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. S 2
  2. T 2
  3. R 2
  4. A 1
  5. F 4
  6. F 4
  7. E 1
  8. N 1
  9. 17 zonder bonus
  10. 75 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (F) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

straffen in het kort

straffen is zowel werkwoord als zelfstandig naamwoord. Wat het is, hangt af van de zin. Van straffen staan er 40 woordvormen vastgelegd; de tabel op deze pagina laat ze zien. Daarnaast hoort straffen bij een woordfamilie van 6 verwante woorden, bepaald aan de hand van vastgelegde woordvormrelaties.

straffen: negatieve consequenties verbinden aan een als verkeerd geziene daad
Deel straffen — standaardnederlands.nl